Vijand van het volk

Is de pers van oudsher getypeerd als vijand van het volk of is dat een bedenksel van Donald Trump? Vijand van het volk is een internationale aanduiding. Keizer Nero werd al in de Oudheid hostis publicus genoemd. In het Duits spreekt men zeker sinds 1841 van Feind des Volkes, in het Engels is enemy of the people in 1843 voor het eerst aangetroffen. Het Franse ennemi(s) du peuple is een stuk ouder. Dit duikt al halverwege de zeventiende eeuw op.

Het Nederlands was er ook vroeg bij. Bij mijn weten is vijand van het volk voor het eerst gebruikt in de Nederlandse vertaling van een boek dat de vermaarde rechtsgeleerde Hugo de Groot in 1625 in het Latijn schreef. In Van ’t regt des oorlogs en vredes, dat verscheen in 1705, stelt De Groot onder meer dat het onderdanen niet is toegestaan om tegen de eigen overheid oorlog te voeren. Maar je kon volgens hem wel degelijk ten strijde trekken „tegen een Koning, die zig opentlijk als een vyand des volks stelt”.

Dat vijand van het volk vanaf het eind van de achttiende eeuw in het Nederlands een gangbare uitdrukking werd, heeft te maken met de Franse Revolutie. In de berichtgeving over die revolutie trekken, meestal in vertalingen van Franse krantenartikelen, allerlei vijanden van het volk voorbij. Zo citeerde de Rotterdamsche Courant in 1793 een Franse generaal die zei: „Slaat dood den lafhartigen en trouwlozen vyand des volks, die zich niet in uwe gelederen wil begeven.”

Op initiatief van Robespierre werd de formulering op 10 juni 1794 zelfs opgenomen in een wetsvoorstel: „Het revolutionaire tribunaal wordt ingesteld om de vijanden van het volk te straffen.” Zoals bekend zou hij zelf door deze rechtbank een maand later ter dood worden veroordeeld.

In 1882 kreeg de zegswijze vijanden van het volk een nog groter bereik door een toneelstuk van de Noor Hendrik Ibsen getiteld En Folkefiende (‘Een vijand van het volk’). Het gaat over een arts die waarschuwt dat een nabijgelegen industrie het water van een badinrichting verontreinigt. Zijn stadsgenoten willen niet dat dit naar buiten komt omdat de stad dan als kuuroord minder bezoekers zal trekken. Maar de arts blijft waarschuwen en daarom wordt hij „een vijand van het volk” genoemd. Ibsen gebruikt de aanduiding hier dus ironisch.

Ibsens stuk werd in 1884 voor het eerst in Nederland opgevoerd en daarna nog vele malen. Over de première schreef Multatuli begin 1884: „Wat ’n stuk als dat van Ibsen aangaat, hij kan er vast op rekenen dat ⅞ der toejuichers tot de soort van menschen behoort dat hij geeselt. […] Hij schijnt nog te meenen dat het tentoonstellen van de maatschappij iets baat. Och, dit meende ik vroeger ook!”

De pers kreeg al heel vroeg het etiket vijand van het volk opgeplakt – lang voor Trump. Het oudste Duitse voorbeeld, uit 1841, gáát zelfs over de pers: „Die Presse ist der gefährlichste, der wahre Feind des Volkes.”

Het oudste Nederlandse voorbeeld dat ik kon vinden waarin de pers tot vijand wordt verklaard, dateert van 1913: kranten in Nederlands-Indië die het opnamen voor jongens die op kostscholen werden mishandeld, werden toen „een vijand van haar eigen volk” genoemd.

In geen land werd de aanduiding vijand van het volk zo populair als in de Sovjet-Unie. De leninisten en marxisten verzonnen allerlei varianten. Zoals vijand van de arbeidersklasse en vijand van het proletariaat. In Nederland werden die typeringen vooral gebruikt in de socialistische en communistische pers.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders