‘Rubens kon alles aan, hij was een Superman’

Cultuur op komst Samen met het Prado in Madrid maakte Museum Boijmans een tentoonstelling over de vaak briljante olieverfschetsen van Rubens. „Hij schilderde dat paard echt als een tornado.” Te zien in Rotterdam vanaf 8 september.

Pieter Paul Rubens, Vertumnus en Pomona (1636 - 1637, olieverfschets) Foto Prado

Je moet ervan houden, van de ultieme barokschilder Peter Paul Rubens (1577-1640). Al die blozende wangetjes, die rollende spiermassa’s, dat zachtroze vrouwenvlees, al die dikbilpaarden met hun zijdezachte engelenhaar en dromerige poppenogen. Rubens’ schilderijen zijn vaak zo extatisch en overdreven, op het pathetische af. Met veel bravoure strooide hij zoveel mogelijk worstelende mannenlijven, dansende nimfen en over elkaar tuimelende heiligen over zijn schilderijen. Hij was immers de alleskunner, de ‘God onder de schilders’, zoals zijn tijdgenoten hem noemden.

Maar er is ook een andere, meer intieme kant te ontdekken aan Rubens. Die vind je in zijn olieverfschetsen. Zo’n vijfhonderd van die studies zijn bewaard gebleven – dat is ongeveer een derde van zijn totale oeuvre van 1.500 werken. Ze hebben de spontaniteit van een tekening, maar dan gemaakt met olieverf op paneel. Ze zijn veel losser en vrijer dan zijn schilderijen, maar tonen evengoed zijn ongelofelijke virtuositeit. Ze werden gemaakt om opdrachtgevers te laten zien wat ze konden verwachten. Ook dienden ze als voorbeelden voor de vele assistenten die Rubens in zijn Antwerpse atelier in dienst had. Je hoort het de grote meester haast zeggen: „Kijk, zo doe je dat. Probeer dat maar eens na te schilderen.”

Conservator Friso Lammertse van Museum Boijmans Van Beuningen. Foto Museum Boijmans Van Beuningen

Voor Friso Lammertse, conservator oude schilder- en beeldhouwkunst van Museum Boijmans Van Beuningen, komt binnenkort een lang gekoesterde droom uit. Vanaf 8 september zijn in zijn museum 65 van Rubens’ olieverfschetsen bijeengebracht op de tentoonstelling Pure Rubens. Al meer dan vijftien jaar doet Lammertse samen met zijn collega Alejandro Vergara, conservator Vlaamse en Noord-Europese kunst van het Prado in Madrid, onderzoek naar Rubens en zijn leerlingen. Dit is de derde tentoonstelling die de twee conservatoren gezamenlijk maken, en de eerste die geheel gewijd is aan Rubens’ schetsen.

Liefde, pijn, vreugde

In de vroege ochtend, enkele uren voordat de dagelijkse stroom toeristen het Prado weer zal binnentrekken, leiden Lammertse en Vergara een klein groepje journalisten door de expositie, die in Madrid van start ging en hier Rubens, Pintor de bocetos, ‘de schetsschilder’ heet. Het is alsof de twee conservatoren verliefd zijn op Rubens, zo vol adoratie vertellen ze over hun schilder. „Hij was een soort Superman”, zegt Vergara. „Die vijfhonderd schetsen zijn allemaal even briljant. Hij was een echte verhalenverteller. Zijn werken gaan over liefde, pijn, vreugde. En hij was enorm productief. In de negen maanden dat hij in Madrid verbleef, schilderde hij net zoveel als Velázquez in een half leven.”

Alejandro Vergara, conservator bij het Prado in Madrid. Foto Prado

De eerste olieverfstudies zag de jonge Rubens in Italië, bij schilders als Tintoretto en Veronese. Hij was onder de indruk en begon de methode al snel structureel toe te passen. Hij was daarin een pionier, zegt Lammertse. „Rubens was de eerste kunstenaar die systematisch olieverfschetsen maakte op paneel. Waarom? Omdat hij waarschijnlijk net zo gemakkelijk schilderde als tekende. Het stond ook wel stoer richting zijn opdrachtgevers. Zo’n beschilderd paneel komt toch een stuk professioneler over dan een krabbel op papier.”

De tentoonstelling begint met een aantal van die vroege Italiaanse olieverfschetsen, die Rubens maakte voor opdrachten in grote kerken in Fermo en Genua. „Zijn verblijf in Italië was ontzettend belangrijk voor hem”, vertelt Lammertse. „Rubens zat er acht jaar, tussen 1600 en 1608. Zijn werk is gedrenkt in de Klassieke Oudheid. In Italië is Rubens dan nog een grote onbekende, die zich echt moet bewijzen.”

Lammertse wijst naar de schets Leeuwenjacht uit 1615, een bruikleen van de National Gallery in Londen. Het chaotische tafereel van een groep ruiters te paard die wordt aangevallen door een bende leeuwen, is door Rubens met snelle vegen bruin en wit op het paneel gezet. „Hier gaat Rubens het gevecht met Leonardo aan. Hij maakt diens beroemde gevechtsscène tot een jachttafereel. Hij samplet als het ware de boel bij elkaar. Kenners zullen dat destijds ook herkend hebben: hé, dat is het paard van Leonardo.”

„Rubens had veel bewondering voor Leonardo en leerde veel van hem”, valt Vergara hem bij. „Hij schilderde dat paard hier echt als een tornado.”

Peter Paul Rubens, Leeuwenjacht (ca. 1621, olieverf op paneel, 73,6 x 105,4 cm)
The National Gallery, Londen
Peter Paul Rubens, Leeuwenjacht (ca. 1621, olieverf op paneel, 73,6 x 105,4 cm)
The National Gallery, Londen

Beeldbank

Eenmaal terug in Antwerpen, begint Rubens’ faam snel te groeien. Hij krijgt belangrijke opdrachten, onder meer voor het Antwerpse stadhuis en de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Lammertse: „Hij heeft heel Europa als klandizie, de koningen, de kerk, de adel. Hij hoeft niet op de centen te letten. Hij kan zich permitteren om dingen niet door te laten gaan. Hij kan alles aan, met dat enorme atelier van hem. Werkelijk alles lukt hem. En dat is in deze olieverfschetsen goed te zien. Ze tonen zijn enorme plezier in het schilderen.”

Rubens vond de schetsen zo belangrijk dat hij ze altijd zelf schilderde, zijn medewerkers vertrouwde hij dat niet toe. Lammertse: „De olieverfschetsen waren niet bestemd voor de verkoop. Rubens hield ze zelf. Toen hij in 1640 stierf, bevonden ze zich nog allemaal in zijn atelier. Daaruit blijkt wel hoezeer hij ze koesterde. We denken dat hij ze afgesloten bewaarde in een aparte kantoorruimte, waar niet iedereen ze kon zien. Het was een archief van voorbeelden, een soort beeldbank die diende als gebruiksmateriaal voor de grote schilderijen. Daaruit stelde hij zijn composities samen. Je ziet dezelfde houdingen en dezelfde koppen vaak in verschillende schilderijen terug.”

Eigenlijk, zegt Lammertse, vindt hij de schetsen nog mooier dan de uiteindelijke schilderijen. „Omdat je hier de eigen hand van Rubens terugziet en niet die van zijn assistenten. Het is alsof je over zijn schouder meekijkt. Je ziet de notities die hij maakte, de ideeën die hij had. De emoties spatten ervan af.”

Nederland

De meeste olieverfschetsen kwamen pas na Rubens’ dood op de markt. Vooral vanaf de negentiende eeuw werden ze een geliefd verzamelobject. Het losse karakter van de werken werd onder invloed van stromingen als het impressionistische steeds meer gewaardeerd. Ook Nederlandse verzamelaars als Daniël George van Beuningen en Franz Koenigs hielden van die snelle, onaffe tekeningen. Vandaar dat Museum Boijmans Van Beuningen nu een van de grootste collecties Rubens-schetsen bezit. „In heel Nederland is geen groot schilderij van Rubens te vinden”, aldus Lammertse. „Nederlanders vonden die veel te Vlaams, veel te katholiek.”

Peter Paul Rubens, Sint Joris in gevecht met de draak (1615-1620, olieverf op doek, 304 x 256 cm). Foto RKD Images

De Spanjaarden daarentegen, wisten de dramatiek van Rubens’ monumentale schilderijen wel te waarderen. Het Prado bezit 91 schilderijen van zijn hand, en conservator Alejandro Vergara raakt er nooit op uitgekeken. „Als kind nam mijn vader me in de weekenden vaak mee naar het museum. Ik weet nog dat ik zijn Sint Joris in gevecht met de draak in het begin wel wat kitscherig vond. Maar nu niet meer. Ik merk dat ook aan mijn studenten. Die zijn nooit op het eerste gezicht verliefd op Rubens. Maar als ik laat zien hoe delicaat hij bijvoorbeeld de haren van een dame kon schilderen, zijn ze al snel om.”

We houden stil bij een vitrine in de laatste zaal, met daarin een aandoenlijke serie paneeltjes op briefkaartformaat. Het zijn schetsen die Rubens in 1636 maakte voor het jachtslot van koning Filips IV, met daarop mythologische taferelen uit Ovidius’ Metamorfosen. Doordat de schetsen niet zijn ingelijst, zie je de kale randen en hier en daar Rubens’ vingerafdruk. Dichterbij de schilder kun je haast niet komen.

„Weet je wat ik zo mooi vind aan Rubens?”, vraagt Vergara, terwijl hij vertederd kijkt naar een paneeltje waarop de Romeinse god Vertumnus de jonge Pomona het hof maakt. „De manier waarop hij naar het leven keek, en hoe hij dat om wist te zetten in universele beelden. Hij was beïnvloed door de Oudheid en de klassieke mythen en schoonheidsidealen, maar schilderde die wel op een heel menselijke manier. Zie hoe mooi de passie hier overslaat. Dit raakt je hart. Alleen heel grote schilders kunnen dit soort emoties overbrengen.”

„Het lage of het lelijke in de mens interesseerde Rubens niet”, beaamt Lammertse. „Hij was altijd op zoek naar het mooie, het hogere, het goddelijke. Hij wilde laten zien dat we deel zijn van een groter geheel. Deze werken zijn meeslepend, alsof we even worden opgetild uit onze miserabele wereld.”

    • Sandra Smallenburg