‘Judas’ van Astrid Holleeder als tragedie in het theater

Cultuur op komst Op 20 september gaat in De Meervaart in Amsterdam het toneelstuk ‘Judas’ in première, naar het gelijknamige boek van Astrid Holleeder over haar broer Willem. Verslag van een repetitie tussen achttien doodskisten.

Repetitie van Judas op 2 juli in Delft. Met op de rug gezien regisseur Johan Doesburg, en op het podium de actrices Trudy de Jong (Stien, links), Margo Dames (Sonja), Eva van de Wijdeven (Sam) en Renée Fokker (Astrid). Foto Bob Bronshoff

Maandag 28 mei: eerste repetitiedag

Het is een zonovergoten ochtend. In een repetitielokaal aan de Amsterdamse Prinsengracht komen voor het eerst alle betrokkenen samen van de toneelvoorstelling Judas, naar het gelijknamige boek van Astrid Holleeder over haar broer, de crimineel Willem Holleeder. Het wordt een voorstelling over liquidaties in de onderwereld, over huurmoordenaars, over aanslagen en verraad tussen criminelen die zich graag ‘bloedgabbers’ noemen. „Maar Willem Holleeder zullen we niet zien”, zegt regisseur Johan Doesburg. Sophie Kassies maakte deze eerste theaterversie van het boek. De Amerikaanse filmregisseur Steven Spielberg heeft de rechten voor een speelfilm en er komt ook een Nederlandse televisieserie.

„Onze voorstelling is een familietragedie over moeder Stien, zijn zussen Sonja en Astrid en nichtje Sam”, zegt Doesburg. „Vanuit hun perspectief kijkt de toeschouwer naar het verhaal over een broer die voor de buitenwereld de status van ‘knuffelcrimineel’ verwierf maar die in werkelijkheid zijn familie terroriseerde. Daarover gaat Astrid Holleeders boek. Ze schreef het als een testament, zo bang was ze dat haar broer haar zou vermoorden.” De vier actrices die de vrouwenrollen vertolken zijn Renée Fokker (Astrid), Margo Dames (Sonja), Trudy de Jong (Stien) en Eva van de Wijdeven speelt het nichtje Sam, de dochter van Astrid.

‘Willem Holleeders naam valt niet in dit stuk. Hij is het grote zwarte gat’

Regisseur Johan Doesburg zit aan het hoofd van een lange tafel, ondanks de warmte gekleed in zwarte jas en met een zwarte hoed op zijn hoofd. Naast hem tekstschrijver Sophie Kassies, decorontwerper Tom Schenk, Dorien de Jonghe voor de kostuums en de muzikanten van Paleis van Boem. Op tafel liggen de scripts.

Astrid Holleeder heeft van begin af aan alle medewerking gegeven aan de theaterversie. De voorstelling neemt de meest cruciale scène uit het boek als uitgangspunt: die waarin Astrid en Sonja besluiten dat ze voor de rechtbank tegen hun broer gaan getuigen. Dat was in april 2013. Het initiatief kwam van Astrid, die als jongste zus Holleeders vertrouwelinge was. Bovendien is ze advocaat. Haar besluit heeft haar leven voorgoed veranderd: ze is bang voor de wraak en leeft in voortdurende angst. Ze leidt een anoniem bestaan.

Voordat de lezing begint geeft Doesburg een toelichting. Astrid en Sonja hebben iets gedaan wat broer Willem niet voor mogelijk hield: ze hebben hem verraden. Doesburg: „De Holleeders woonden in de Jordaan. Vader was alcoholisch en heerszuchtig, hij werkte bij Heineken. Hij sloeg zijn vrouw en gedroeg zich agressief. Maar naar buiten hield hij de schone schijn op. Zijn vrouw durfde hem niet te verlaten, waar moest ze heen? De kinderen Holleeder groeiden op in een wereld vol kwaad. Maar lieten daarvan niets merken. Toen Willem eenmaal het criminele circuit betrad, hield hij dat gevoel van een geheime familieband in stand. Voor elkaar doe je alles. Maar ook hij pleegde verraad na verraad tegenover zijn verwanten in de onderwereld.”

Als Astrid opent Renée Fokker de lezing met de eerste zinnen uit het script: „Hij heeft het voor mekaar. Ik zit in de val. Voor het laatst mijn toga afgelegd. Voor het laatst de deur van mijn huis achter me dichtgetrokken. Ik besta niet meer.”

Al is er nauwelijks sprake van spel en bevinden de spelers zich in de prille leesfase, toch tekent het drama zich al af: Astrid neemt afscheid van haar vertrouwde leven. Door een naamloze ‘hij’ te introduceren, geeft ze aan dat er een machtig en tegelijk geheimzinnig iemand is die over haar heerst.

Vrijdag 22 juni: doodskisten

Drie weken later, nog steeds aan de Prinsengracht. Decorontwerper Tom Schenk had het bij de eerste lezing al aangekondigd: achttien doodskisten vullen langzaam maar zeker de toneelruimte. Er wordt een betonnen wand gemaakt die op het podium langzaam de personages insluit, als een gevangenis. Die wand is er nog niet, wel de doodskisten die „als het zwaard van Damocles boven de voorstelling hangen”, aldus Doesburg. Deze kisten luiden de reeks van liquidaties in, met als eerste die van onderwereldkoning Cor van Hout op 24 januari 2003, Holleeders gabber en zwager, de man van Sonja. Zit Holleeder achter de moord? Gaf hij opdracht? Dat is de nog steeds niet opgehelderde vraag.

Het toneelstuk geeft daarop evenmin een duidelijk antwoord, maar uit het spel van Renée Fokker blijkt duidelijk dat Astrid hiervan overtuigd is. Haar beweegreden tot de getuigenis is dat „het doden moet ophouden”, zoals ze zegt. Tegen de achtergrond van doodskisten krijgen haar woorden nog meer betekenis.

Tijdens de repetities wordt veel gesproken tussen de regisseur en spelers over hoe een personage gebracht moet worden. In Judas is dat extra moeilijk, zegt Renée Fokker: „Ik speel iemand die nog leeft, die mij straks misschien wel komt bekijken. Dan ziet ze mij als haarzelf, als Astrid. Dat geldt ook voor Sonja. Wij zijn geen fictieve personages. Dit is heel iets anders dan een normale toneelrol. Hoe moet ik haar benaderen?”

Haar vraag is terecht. Bij een toneelstuk over bestaande personages gaat de toeschouwer al snel vergelijkingen trekken. Is Astrid werkelijk zo? Is dat Sonja? Volgens Doesburg is dat niet het belangrijkste van de voorstelling. Als zij straks eenmaal op de speelvloer staan dan is het de kunst om de toeschouwers mee te nemen in hun verhaal.

Doesburg: „Het extra dat dit toneelstuk biedt, is dat jullie personages, meer dan in het oorspronkelijke boek, vervuld zijn van tegengestelde gevoelens jegens Holleeder. Als toneelspelers kunnen jullie dat vertolken. We werken toe naar dit persoonlijke drama. Moeder Stien zal hem altijd de hand boven het hoofd houden. Sonja is door Holleeders toedoen haar man verloren, toch wil ze Willem niet afvallen. En Astrid geeft toe dat ze ondanks alles van haar broer houdt. Als jullie die emoties tussen haat en liefde tot uitdrukking brengen, wordt het stuk geloofwaardig.”

Maandag 2 juli: kogelvrij vest

Vandaag staan de spelers op het podium van Theater de Veste in Delft. Na het repetitielokaal is alles anders, ruimer. De doodskisten staan op hoge stapels tegen de achterwand en het zijtoneel, met de witte pronkkist van Van Hout prominent in het midden. De vloer is als een zwart glanzende spiegel. Op de grijze achtermuur verschijnen jeugdfoto’s van Willem en zijn zeven jaar jongere zusje Astrid. Zij zit als klein, blij meisje op zijn schouders. Er zijn ook foto’s van vroeger, thuis in de Jordaan. De kinderen tussen vader en moeder Holleeder in. Nog onwetend van de tragiek die komen gaat. Een gelukkig gezin, zo te zien, maar er klinkt de dreigende muziek van Paleis van Boem.

Het effect van deze fotoreeks is groot. Zoon Willem oogt onschuldig, we kunnen ons nauwelijks voorstellen dat hij ooit in staat zal zijn tot gewelddadigheden, zelfs dat hij Astrid naar het leven zou staan.

Uit de coulissen komt Renée Fokker op, nauwelijks herkenbaar. Zwarte veiligheidshelm op, kogelvrij vest aan. Als ze het openscheurt, versterkt een zendmicrofoon het geluid van het klittenband. Ze zet haar helm af: „Ik ga de balans opmaken. Afrekenen.” Ze spreekt de nu nog lege schouwburgzaal aan met resolute overtuiging. „Ik ga het hele verhaal vertellen, een verhaal met een zwart gat in het midden.” Dat zwarte gat is Willem Holleeder zelf, een naam die de hele voorstelling niet zal vallen.

    • Kester Freriks