‘Ik zou willen dat ik wist hoe oud ik ben’

Grunberg in het verpleegtehuis #3

Schrijver Arnon Grunberg verblijft veertien dagen en nachten in een Vlaams verpleegtehuis, als patiënt en verpleger. Hij schrijft daar dagelijks over.

Beeldbewerking NRC

Melanie en Jenny zijn onafscheidelijk. Jenny zegt: „Ik ben de oudste maar ben er het beste aan toe. Ik word op 3 november 70, dan komt mijn schoonzoon met taarten, dan kan iedereen genieten.”

Melanie is 42 maar dat weet ze zelf niet meer.

Ik gebruik mijn ontbijt op de afdeling voor jongdementen. Als ik nu dement zou worden, zou ik prima op de afdeling passen.

Elke zaterdag gaat Jenny naar de Korenmarkt in Gent. „Daar ontmoet ik mijn kameraden”, zegt ze. „We zitten op een bankje. Als het regent gaan we binnen wat drinken.”

Jenny heeft donker haar en oplettende bruine ogen. Ze draagt een witte zijdeachtige blouse met bloemen erop. „Mijn kameraden zijn jongens”, zegt ze. „Ik val op jonge jongens. Met twee van hen heb ik samengewoond. Eentje was 47 of 48.”

„En houdt die nog van je?” vraag ik.

„Normaal gesproken wel”, antwoordt Jenny.

Ik ga een verdieping hoger waar de bewoners met een verstandelijke handicap wonen. Op deze verdieping woont Engin. Hij is 38, spreken gaat moeilijk, soms maakt hij gebruik van een geplastificeerd papier waarop het alfabet staat. Eén keer per uur mag hij een sigaret, daarop leeft hij. Vroeger werkte hij als taxichauffeur. Ook kwijlt hij met een gretigheid die me het gevoel geeft dat kwijlen voor hem protest is. Zijn waardigheid zit in het kwijl.

We gaan met vijf bewoners wandelen. Het is een prachtige dag.

Aan Vicky, die een dochtertje van 10 heeft, vraag ik: „Hoe oud ben jij?”

„Ik zou willen dat ik het wist”, antwoordt ze. Ze blijkt eind dertig te zijn.

Die avond zit ik met haar man Bert bij haar in de kamer. Bert komt uit Nederland en is begin zestig.

„Ik heb genoeg van geheimen”, vertelt hij, „in het voorjaar van 2017 nam mijn vrouw antidepressiva en pijnstillers. Op een dag lag ze voor pampus op bed. Ik heb diabetes, ik controleerde haar suikerspiegel. Die was extreem laag. Toen heb ik haar een noodspuit insuline gegeven en stroop in haar mond gestopt. Nu beweert Justitie dat ik mijn vrouw heb willen vergiftigen.”

„Doden?”

„Ja”, zegt Bert. „Maar als ze me veroordelen ga ik in hoger beroep. En nu al mag ik geen drinken en eten voor Vicky meenemen en ik mag de afdeling niet met haar af.”

Vicky moet huilen.

Bert legt liefdevol een hand op haar knie.

„Huil maar niet, moppie”, zegt hij.

(Wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg