Opinie

    • Ellen Deckwitz

Zoenen

Afgelopen zaterdag moest mijn zus naar een vrijgezellenfeest in Zenderen waardoor ik haar kinderen (12 en 10) over de vloer kreeg. Tijdens het afleveren van de jongens gaf ze me ook haar autosleutels. „Tristan heeft straks een verjaardag in Landsmeer,” zei ze, terwijl haar oudste glunderde. „We hebben afgesproken dat je hem om twaalf uur ophaalt.”

„Twaalf uur ’s middags?” probeerde ik nog.

Die avond reed ik door de inktzwarte polder. Omdat mijn neefje een erg vroege leerling is en een klas heeft overgeslagen, gaat hij vooral met veertienjarigen om (het scheelt dat hij inmiddels al langer is dan ik), dus ik had geen idee in wat voor toestand ik hem zou aantreffen. Op die leeftijd blowde zijn moeder ieder tussenuur en namen mijn vriendinnetjes stiekem martini mee naar school. Ik hield mijn hart vast, maar toen ik hem oppikte leek hij slechts een beetje moe. Ik ontspande, tot ik zag dat er in zijn hals een zuigzoen ter grootte van een plak leverworst zat.

Hij stapte in, ik startte de wagen en voelde me oud. Minderjarige familieleden kan je niet uithoren over hun liefdesleven, die klappen meteen dicht, maar ondertussen verspreidde de nieuwsgierigheid zich als jeuk. Ik wist dat hij al eens had gezoend, maar verder had ik geen idee of hij al eens verkering had gehad, laat staan wat zijn geaardheid is. We tuften door de polder en net toen ik een levensmoeie zwaan schampte zei hij:

„Waarom is zoenen altijd veel leuker wanneer het voorbij is?”

„Kon je partner in crime er niets van?”

„Nee, nee, het ging prima,” zei hij, „Maar hoe goed iemand ook kust, het moment zelf is altijd zo heftig!”

‘Ik moet bij zoenen altijd denken aan een gedicht van Nijhoff”, zei ik, en hij haalde even diep adem zoals altijd wanneer ik over poëzie begin (zo reageer ik ook wanneer mijn vader iets wil gaan vertellen over waterstaatskerken). „Over een tuinfeest waarbij mensen naar elkaar toe buigen om een beetje te tongworstelen. Hij schrijft dat het hun niet gaat om liefde, maar om de sublieme/ momenten en het sentiment daartusschen.”

„Wow,” zei mijn neefje na er even over te hebben nagedacht. „Met andere woorden: de gedachte dat iets kan, is soms fijner dan het dóén.”

„Misschien,” zei ik, uitkijkend om niet die docent Nederlands te worden die iedere interpretatie meteen affakkelt en zo elke ontluikende poëzieliefde in de kiem smoort.

„Hij heeft een punt”, zei mijn neefje na een kilometer of twee. „Zoenen is pas het leukst als het voorbij is. Wanneer je er van een afstandje naar kan kijken. Als je weer veilig bent.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz