Nederlandse instellingen wilden mij niet ‘behandelen’

Grunberg in het verpleegtehuis #1

Schrijver Arnon Grunberg verblijft veertien dagen en nachten in een Vlaams verpleegtehuis, als patiënt en verpleger. Hij schrijft daar dagelijks over.

Foto Merlijn Doomernik, beeldbewerking NRC

De taxichauffeur die me van station Gent-Sint-Pieters naar woon-zorgcentrum Zuiderlicht in Mariakerke rijdt, zegt nadat we op de bestemming zijn aangekomen: „Ik heb hier verleden jaar iemand heen gebracht.”

Het nieuw gebouwde verpleegtehuis bevindt zich naast een bos, nauwelijks huizen, mensen zie ik vooralsnog ook niet. De chauffeur kijkt me vragend aan terwijl hij mijn koffer uit de bagagebak tilt alsof hij niet kan geloven dat ik hier moet zijn. Ik ben in een uithoek beland, vermoedelijk symbolisch: de aftakeling mag niet in het centrum plaatsvinden. Het aan het oog onttrekken van de dood maakt ons rustig.

Nadat ik ‘embedded’ was in onder andere een hotel, diverse slachthuizen en een psychiatrische inrichting was een verpleeginrichting een logisch vervolg. De mens begint zijn leven als een wezen dat intensieve zorg nodig heeft, zo eindigt hij dat leven dikwijls ook. Tussendoor zijn er horeca, zielzorg en arbeid, dat laatste hoeft niet per definitie uit doodslag in het slachthuis te bestaan. Verschil is dat het vanzelfsprekend is dat kinderen zorg ontvangen van ouders terwijl de zorg van volwassenen meestal wordt uitbesteed aan professionals. Overigens, ooit liet de aristocratie zorg en opvoeding van haar kroost over aan het personeel.

Waar zorgverleners over levenskwaliteit beginnen te spreken is het einde in zicht. Als een restaurantrecensent het restaurant, zo wil ik de laatste zorg onderzoeken, de kwaliteit van zorg en leven, voor zover die van elkaar gescheiden kunnen worden, beoordelen.

Ik deed een oproep op mijn website dat ik een verpleegtehuis zocht. Er meldden zich twee verpleegtehuizen, beide in Gent. Ook toen ik in 2013 onder psychiatrische patiënten wilde leven, bleek het onmogelijk in Nederland een inrichting te vinden die bereid was mij te ‘behandelen’. Zorgverleners in Vlaanderen lijken minder bang te zijn voor pottenkijkers dan hun Nederlandse collega’s.

Eerder dit jaar bracht Grunberg een maand door in het Stedelijk Museum Amsterdam. Lees ook het slot: Musealisering is een doodstraf

Begin juli belde Steve van Zuiderlicht, hij zei: „Je bent welkom. We zijn een open huis. We hebben geen geheimen.”

20 augustus val ik in de maandagochtendvergadering van de staf van Zuiderlicht. Steve blijkt een joviale kerel met een opvallende armband, tevens draagt hij een modieus overhemd met korte mouwen. Er wordt over plantenbakken vergaderd. Steve zegt: „Duizend euro voor zo’n stomme plantenbak die niet eens ecologisch verantwoord is, dat doe ik niet. Dat vind ik pokkenduur.”

Juist in een verpleegtehuis zijn plantenbakken belangrijk. Het verval en de dood mogen op de deur kloppen, het leven blijft welkom, al is het in de vorm van een plant.

(Wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg