Hoe de overheid de personeelstekorten heeft laten oplopen

Onderwijs en zorg Verkeerde prognoses van de arbeidsmarkt en voorgenomen bezuinigingen hebben de personeelstekorten in de hand gewerkt.

Foto's ANP / Studio NRC

Uitpuilende klassen, leerlingen die naar huis worden gestuurd, onbevoegde leraren voor de klas – we gaan het vaker zien na de zomervakantie. Ook in de zorg wordt het personeelstekort nijpender. Veel ziekenhuizen sluiten een of meer afdelingen omdat ze hun roosters niet meer rondkrijgen. Er worden ‘bindingspremies’ uitgedeeld aan werknemers in schaarse functies die toezeggen dat ze de komende jaren blijven.

Beide tekorten kon de overheid al jarenlang zien aankomen. Talloze rapporten waarschuwen al sinds de jaren negentig voor een lerarentekort en de toenemende vraag naar zorg. Het roept de vraag op waarom de tekorten alsnog zo groot zijn geworden. Had de overheid meer kunnen doen om deze krapte te voorkomen?

Later met pensioen

„Nederland staat aan de vooravond van een zeer hoog tekort aan goed gekwalificeerde leraren”, schrijft de ‘commissie Leraren’, ingesteld door het kabinet-Balkenende IV, in 2007. De commissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan, op dat moment voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER), voorspelt dat binnen een paar jaar een grote groep leraren tegelijk met pensioen gaat, omdat de beroepsgroep sterk vergrijsd is.

Toch laat het voorspelde tekort nog lang op zich wachten. Pabostudenten die in 2013 afstuderen, hebben grote moeite om een baan te krijgen. Want nee, die oudere leerkrachten gaan nog niet met pensioen. Het kabinet-Rutte I heeft in de tussentijd besloten om de AOW-leeftijd te verhogen, kort nadat voordelige regelingen voor vroegpensioen al waren afgeschaft.

Het veroorzaakt een vreemde tegenstelling: alle beleidsmakers zien het lerarentekort aankomen, alleen wat later dan voorspeld, terwijl tegelijkertijd afstuderende pabostudenten geen baan vinden. Scholieren die een studie moeten kiezen, zien dat en schrikken terug voor een onderwijsbaan. De instroom bij de pabo daalt. In 2008 koos bijna 7 procent van de honderdduizend hbo-studenten voor een opleiding tot leraar basisonderwijs, in 2015 is dat nog maar 4 procent. Het gevolg: de voorspelde tekorten worden alleen maar groter.

RL

Het is een klassieke ‘varkenscyclus’, waarbij vraag en aanbod uit de pas lopen. Het effect is vernoemd naar varkensboeren die massaal meer varkens gingen fokken zodra ze zagen dat de varkensprijs hoog stond – maar door het overaanbod daalden de prijzen juist.

„Zulke effecten kun je dempen door goede prognoses te geven over de naderende tekorten”, zegt Frank Cörvers, hoogleraar onderwijsarbeidsmarkt in Tilburg. „Maar dan moet je prognose wel geloofwaardig zijn en impact hebben.” Dat was waarschijnlijk het probleem: de oude waarschuwingen werden sleets, want het voorspelde tekort kwam niet.

Hoger loon? Nullijn

Ook toegezegde loonsverhogingen gaan steeds niet door. Kabinetten hebben de afgelopen twintig jaar twee keer het plan uitgesproken om lerarensalarissen op de lange termijn te verhogen. Beide keren bleef het bij een kleine aanzet.

De eerste keer was in 2001, nadat een commissie zo’n betere beloning had bepleit. Het tweede Paarse kabinet zegde geld toe, er kwam één loonsverhoging en daar bleef het bij.

In 2007 kwam er weer een rapport, dat van SER-voorzitter Rinnooy Kan, nu D66-senator. Leraren verdienen „aanzienlijk” minder dan de marktsector, schrijft hij. Minister Ronald Plasterk (Onderwijs, PvdA) trekt er datzelfde jaar nog ruim 800 miljoen euro voor uit. Maar de loonsverhogingen worden in de jaren daarna weer grotendeels tenietgedaan. Leraren blijven net als ambtenaren vier jaar lang op de ‘nullijn’ staan: hun loon stijgt tussen 2010 en 2014 niet mee met de inflatie.

Lees ook het interview met arbeidsdeskundige Paul de Beer: ‘We betalen nu de prijs voor de nullijn in crisistijd’

Op zich is het logisch dat het kabinet tijdens een recessie bezuinigt op salarissen, zegt Cörvers: „Het is een grote kostenpost.” Maar het heeft ook gevolgen, die pas zichtbaar worden zodra de economie weer aantrekt en de arbeidsmarkt krapper wordt. „Dan blijkt dat je niet meer concurrerend bent als werkgever.”

Het salaris van leraren raakte verder achterop bij dat van andere beroepen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Tussen 2007 en 2017 stegen de lonen in het onderwijs (inclusief mbo, hbo en universiteiten) met 17 procent. De gemiddelde stijging van alle Nederlanders was 24 procent.

Meer kwaliteit, minder studenten

In 2015 werden de toegangseisen voor de pabo strenger. Ook dat verklaart het dalende aantal studenten. Pabostudenten moeten sindsdien genoeg basiskennis hebben over aardrijkskunde, geschiedenis en natuur en techniek. Mbo’ers en havisten moeten een toelatingstoets maken voor die vakken als ze daar geen eindexamen in hebben gedaan.

Het vorige kabinet, Rutte II, wilde de kwaliteit van de pabo verbeteren. Al sinds de jaren negentig is er kritiek op het niveau van lerarenopleidingen. Maar hoogleraar Cörvers is kritisch over de invoering van toelatingstoetsen. Het is nog altijd niet aangetoond dat de kwaliteit van de pabo daardoor verbeterd is. „Ik twijfel er sterk aan of dit de beste manier was.”

Het is nog maar de vraag of de pabo dankzij die test betere toekomstige leraren aantrekt. „Daar wordt geen onderzoek naar gedaan”, zegt Cörvers. „We weten niet eens precies wat een leraar tot een goede leraar maakt. Opleidingen zijn allemaal bezig om hun kwaliteit te verbeteren, maar niemand kijkt welke maatregelen werken, door afgestudeerde leraren te blijven volgen als ze eenmaal voor de klas staan.”

Slechts één gevolg van de toets staat vast: het aantal nieuwe pabostudenten daalde dat jaar extra hard, met 33 procent. Er waren volgens de onderwijsinspectie 5.500 aanmeldingen in 2015 – ruim 2.700 minder dan een jaar eerder. Tussen de afhakers zaten wellicht goede leraren die alleen net te weinig kennis hadden over aardrijkskunde of natuurkunde.

„Hadden ze dat dan niet kunnen bijspijkeren tijdens het studieprogramma?”, vraagt Cörvers zich af.

Dit jaar wordt de dip uit 2015 echt voelbaar voor basisscholen: deze extra kleine lichting pabostudenten begint aan het laatste studiejaar, waarin ze veel voor de klas staan. Scholen zullen hun tekorten nóg verder zien oplopen.

‘Jojo-beleid’ in de zorg

In de zorg is het overduidelijk dat de overheid bijdroeg aan de huidige personeelstekorten, vindt Didier Fouarge, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit Maastricht. Het vorige kabinet heeft een „jojo-beleid” gevoerd, zegt hij.

In de aanloop naar de verkiezingen van 2017 trok toenmalig staatssecretaris Martin van Rijn (Zorg, PvdA) al 100 miljoen euro extra uit voor verpleeghuizen. Na de verkiezingen werd dat nog meer: 2,1 miljard euro.

Lees een reportage over het tekort aan tandartsen: in de de Zeeuwse praktijk van het tandartsengeslacht Heijers bieden Spaanse afgestudeerden uitkomst

Hoe anders was het in 2013 en 2014. Toen was Van Rijn steeds in het nieuws om zijn bezuinigingen, óók op verpleeghuizen. Zulke negatieve berichtgeving blijft niet zonder gevolgen, zegt Fouarge.

„Onze prognoses over baankansen in de zorg werden pessimistischer. Daarmee geef je een signaal aan studiekiezers.” Het aantal scholieren dat voor een opleiding verpleegkunde koos, vertoonde in 2014 een plotselinge, eenmalige daling, blijkt uit cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs.

RL

De bezuinigingen waren schadelijk voor het imago van de zorg, denkt ook Ronald Batenburg, hoogleraar arbeids- en organisatievraagstukken in de zorg in Nijmegen. „De zorg stond al bekend als zwaar werk waar je slecht voor betaald krijgt. Als er dan ook bezuinigd wordt, verlies je al snel het vertrouwen.”

Slecht imago

Staatssecretaris Van Rijn had kunnen weten hoe belangrijk een goed imago is voor de zorgsector. Al in 2001 schreef een ambtelijke commissie dat publieke beroepen aantrekkelijker moeten worden, om grote toekomstige personeelstekorten te voorkomen. Hun „wervingskracht dient verbeterd te worden”, schreef de commissie.

De voorzitter van deze commissie: Martin van Rijn. Hij was toen nog ambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken. De bezuinigingen van staatssecretaris Van Rijn dienden wel een doel, zegt Batenburg. „We zaten in economisch slecht weer en de zorgkosten bleven maar stijgen, dus er moest wat gebeuren.”

Maar er had meer aandacht mogen zijn voor de gevolgen van de bezuinigingen op bijvoorbeeld studiekiezers, vindt Batenburg. „Je had vooraf een arbeidsmarkteffectrapportage kunnen maken”, zegt hij, „waarin je kijkt wat de gevolgen zijn voor de werkgelegenheid, direct en indirect.”

Je kunt het nóg structureler aanpakken, zegt Batenburg, door een voorbeeld te nemen aan de artsenopleidingen. „Daar is een vrij stabiele arbeidsmarkt.” De reden: er wordt nauwkeurig voorspeld hoeveel behoefte er op termijn is aan verschillende soorten artsen. Als ergens een personeelstekort dreigt, gaan opleidingen actiever werven. Dreigt ergens een overschot, dan kan er strenger geselecteerd worden.

Bij artsen is zo’n langetermijnplanning hard nodig, omdat het twaalf jaar duurt om een gespecialiseerd arts op te leiden. Maar ook voor andere opleidingen zou dat helemaal niet gek zijn, vindt hij. „Je ziet nu dat ziekenhuizen afdelingen moeten sluiten omdat ze niet genoeg gespecialiseerde verpleegkundigen kunnen vinden. Eigenlijk had dan al vijf jaar eerder de instroom van verpleegkundeopleidingen aangejaagd moeten worden.”

    • Christiaan Pelgrim