Opinie

    • Marcel van Roosmalen

‘We leven nog’

Nadat we met de twee kinderen na een uitputtende rit, de oudste had het autostoeltje ondergepoept, in Velp uit de auto rolden belandden we in de dynamiek van mijn moeder (87) die van spanning soms niet weet hoe ze zo’n dag met kleinkinderen moet aanvliegen.

Onder het golfplaten afdak schreeuwden tientallen trossen druiven of ze alsjeblieft geplukt mochten worden, maar mijn moeder had andere plannen. Of we zin hadden om meteen weer in de auto te stappen en naar de kringloopwinkel te rijden waar ze een stepje van zes euro had gezien?

Of eerst koffie? Of naar de kringloopwinkel? Of koffie en dan naar de kringloopwinkel?

Het koffiezetten ging kop voor kop. We moesten zitten en mochten niet helpen. Ze kwam dan telkens aangesloft met een dienblad, kleinkind aan haar been. De jongste speelde met een blindenstok, mijn broer was er ook.

Nou – „hèhè” – ze zat.

Gesprek over de nieuwe rollator. Ze liep weer als vanouds, als ze de vergelijking met een dier mocht maken: als een kievit. Ze was die ochtend naar de kapper gelopen.

Mijn broer: „Een uur heen, een uur terug.”

Mijn moeder: „Omdat ik mensen tegenkom, daarom. Er was een vrouw die had een stukje van jou gelezen, dat zei ze. Leuk toch? Ik kneep in de handrem, daarom kwam ik eerst niet weg.”

De vriendin had de kinderen identieke jurkjes aangetrokken, ze wisten zelf ook wel dat ze er schattig uitzagen en hingen op hun mooist rond hun oma die ging over blikken koektrommels en schaaltjes met chocolaatjes.

Ik dacht: ik knip een paar druiventrossen af voordat ze gaan rotten en er een wespenplaag ontstaat. Meteen weer dat overgeorganiseerde. Ze bleef maar slepen met mesjes, scharen en stoelen die misschien steviger waren, net zo lang totdat je wel zou willen schreeuwen dat ze beter niets kon doen. Het moet jaren geleden zijn dat ik haar voor het laatst langer dan een paar minuten heb zien zitten.

Tijdens het avondeten ging het koken en rommelen gewoon door. Nog een pot appelmoes, nog een aardappel die ze wilde bakken, dat soort dingen.

Toen alles op was ging ze dan eindelijk zitten.

Tijdens het afwassen werd mijn broer bijna geëlektrocuteerd doordat hij een warmhoudplaatje aanzag voor een bord en het in het afwaswater gooide.

Het zingen stopte.

Opeens de magere arm van mijn moeder tussen ons in. „Wacht, ik pak het er wel uit.”

„Nee-hee”, schreeuwde ook ik.

De situatie werd opgelost.

Op weg naar huis, een geruststellend bedoeld telefoontje: „Het gaat goed, we leven nog steeds.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen