Recensie

Pieter Waterdrinker verlangt naar een groots en meeslepend leven

Zomergasten Schrijver Pieter Waterdrinker vertelt in het tv-programma Zomergasten over Rusland, dat wij niet begrijpen, over de ‘volledige mens’, over het grote verlangen, en hoe het toch altijd teleurstellend afloopt.

Na 22 jaar in Rusland heeft Pieter Waterdrinker wel wat van de Russische ziel overgenomen. Het leven in het verleden, bijvoorbeeld – gezien de fragmenten die de schrijver en correspondent kiest in Zomergasten. En de romantische inborst, die hem doet verlangen naar een groots en meeslepend leven, en hem tegelijk doet beseffen dat het wel weer op niets zal uitlopen. Het leven moet gevierd worden als een grootse mislukking.

Voor wie liefde heeft voor Rusland en de letteren is het een heerlijke aflevering. Presentator Janine Abbring moet Waterdrinker wel goed bij de les houden, want de wijdlopige verteller verdwaalt nog wel eens op allerlei zijpaden, vol schrijvers en journalisten. Vooral als het over zijn privéleven gaat, neemt hij graag een afslag. Als Abbring hem vraagt wat hem aantrok in zijn Russische vrouw, valt de spraakwaterval zelfs even stil.

Uiteraard gaat de avond goeddeels over zijn tweede vaderland. Hij vindt dat het denken over Rusland hier te zeer wordt bepaald door onwetendheid en onbegrip. Hij begint met de Russisch-Italiaanse speelfilm Oci ciornie, die laat zien hoe Rusland een westerse gast eerst tegen een muur van bureaucratie laat aanlopen, om hem vervolgens bijna verstikkend hartelijk te ontvangen. Volgens Waterdrinker komt dat doordat Russen tegelijk angst voor én verlangen naar het Westen hebben.

De oorlog leeft in Rusland

Met aangrijpende beelden van het Beleg van Leningrad (1941-1944), dat aan meer dan een miljoen mensen het leven kostte, wil Waterdrinker aantonen dat de Tweede Wereldoorlog voor president Poetin nog altijd bepalend is in zijn omgang met Europa; dat de geschiedenis in Rusland zoveel meer leeft; en dat wij westerlingen, die gewend zijn vooruit te kijken, dat niet genoeg begrijpen.

Dat Poetin die geschiedenis naar zijn hand zet, begrijpt Waterdrinker ook. De gruwelen van de Sovjet-Unie worden vergeten in Rusland. Liever koestert men een nostalgisch beeld, zoals Waterdrinker toont met een fragment uit de Sovjet-romkom Sluzhebnyy roman (‘Kantoorliefde’) uit de jaren zeventig.

Met aangrijpende beelden van de in 2014 neergeschoten MH-17 wil Waterdrinker vertellen dat het Westen boter op zijn hoofd heeft wat Oekraïne betreft. Volgens hem is het gedrag van Poetin te verklaren uit de bemoeienis van de NAVO en de EU met de voormalige Sovjet-republieken, die Rusland als een schending van de eigen invloedssfeer ziet. „Wat goed is voor Europa, is slecht voor Rusland.”

Waterdrinker kwam tot Rusland via de literatuur, vertelt hij. „Tussen de kaften zit het volledige leven.” Hij leende Eerste liefde van Toergenjev uit de bibliotheek en hij was verkocht. Opgegroeid in een familiehotel in Zandvoort bood de literatuur hem een blik op het grotere leven waarnaar hij vurig verlangde. Hij besefte: „Als ik graag wil schrijven, dan moet mijn leven op literatuur gaan lijken.”

Het is maar een heuveltje

Waterdrinkers helden zijn kunstenaars die voldoen aan zijn romantische beeld van de ‘volledige mens’. Ze moeten groots leven, en de humor en de tragiek van het leven doorgronden. Zo toont hij cineast Theo van Gogh, schrijver Boudewijn Büch en uitgever Geert van Oorschot. Hildegard Knef zingt in Für mich soll’s Rote Rosen regnen over een leven volgens het credo: Alles oder nichts.

Dat grote verlangen, zo weet ook de romanticus, zal op niets uitdraaien: „Je hebt de tijd van de grote verlangens. Maar uiteindelijk blijkt alles toch maar een heuveltje te zijn, met een uitermate matig uitzicht.”

En boven dat uitzicht hangt de dood, zo laat hij zien met beelden van Maarten Biesheuvel. We zien de depressieve schrijver met de handtas van zijn overleden moeder in zijn hand. Al haar spulletjes zitten er nog in. Waterdrinker: „Dat tasje. Al dat streven, de hoop, het verlangen naar liefde en leven; en dat eindigt allemaal in dat tasje.”

    • Wilfred Takken