Mummificeren blijkt oeroude traditie

Egypte

Een bijna 6.000 jaar oude mummie uit het Egyptisch Museum in Turijn blijkt gebalsemd met plantaardige olie en coniferenhars.

Mummie S.293 in het Egyptisch Museum in Turijn, omringd door historische artefacten (onder meer stukjes textiel in een rieten mand, een paar sandalen gemaakt van plantenvezels, een tasje van struisvogelleer en pijlen) en een thermometer om de temperatuur van de expositieruimte te meten. Foto Jana Jones

Het balsemen en mummificeren van overleden mensen heeft in het oude Egypte een veel langere traditie dan tot voor kort werd aangenomen. Bewoners van de Nijldelta behandelden al in de prehistorie hun doden om het lichaam beter intact te houden. Dat blijkt uit een analyse door een team onderzoekers van onder meer de universiteiten van York (Groot-Brittannië) en Macquarie (Australië) van mummie ‘S.293’, in het bezit van het Egyptisch Museum in Turijn.

Deze mummie is van rond 3700 voor Christus, en daarmee ruim tweeduizend jaar ouder dan de iconische mummies van het Nieuwe Rijk. Lang ging men ervan uit dat mummies uit de prehistorische Naqadacultuur door hitte en droogte waren geconserveerd, en niet met behulp van een door mensen uitgevoerde behandeling. Deze periode, genoemd naar de indertijd belangrijke stad Naqada, duurde van 4400 tot 3000 voor Christus.

Bij een chemische analyse van stukjes gewaad van mummie S.293 kwamen residuen van stoffen tevoorschijn die duiden op een behandeling om ontbinding tegen te gaan. De onderzoekers publiceerden hun resultaten vorige week in het Journal of Archeological Science.

Rieten mand

Het vermoeden dat Egyptenaren al veel langer doden prepareerden voor hun reis naar het hiernamaals ontstond in 2014, toen restanten textiel uit een 6.000 jaar oud graf werden onderzocht. Chemische analyse toonde aan dat er vetten, oliën en hars in de stof zaten die gebruikt zouden kunnen zijn om een menselijk lichaam te beschermen tegen verval.

Om er zeker van te zijn dat er daadwerkelijk mensen op deze wijze werden behandeld, was het zaak een intacte prehistorische mummie te onderzoeken op de aanwezigheid van deze chemicaliën. Van dit soort mummies zijn er op de hele wereld maar zes beschikbaar, waarvan die in Turijn de enige is die nooit is behandeld tijdens restauraties en dus niet ‘vervuild’ is met stoffen die het meetresultaat zouden kunnen verstoren.

De onderzoekers namen twee monsters textiel van 0,5 bij 0,7 centimeter: één van op het lijf en één uit een rieten mand die bij het lichaam was aangetroffen. Ze onderzochten de lapjes door middel van gaschromatografie. Bij deze methode worden de verschillende moleculen waaruit een materiaal bestaat in gasfase van elkaar gescheiden en geïdentificeerd. Met koolstofdatering bepaalden ze de leeftijd van het materiaal: het is afkomstig uit de periode tussen 3635 en 3380 voor Christus.

Het hoofdbestanddeel van de balsem die de onderzoekers in het textiel aantroffen is een plantaardige olie. De balsem bestaat voor ruim 90 procent uit deze olie. Verder troffen ze residu aan van een aromatische plant, gom en verhitte hars van een conifeer. Deze coniferensoort kwam niet voor in Egypte, dus het materiaal moet speciaal voor de behandeling van dode lichamen zijn geïmporteerd. De gebruikte mix zou een antibacteriële werking kunnen hebben gehad, aldus de onderzoekers.

De samenstelling van de balsem vertoont duidelijke overeenkomsten met de balsem in het in 2014 onderzochte textiel én met de balsems waarmee de bekende mummies uit het Nieuwe Rijk (1550 tot 1070 voor Christus) werden behandeld. Ook die bestonden voor 70 tot 90 procent uit plantenolie.

De Turijnse mummie is opgegraven in Opper-Egypte (in het zuiden van het land), terwijl de andere prehistorische textielresten uit een noordelijker graf komen. Dit duidt erop, aldus de onderzoekers, dat de volken die leefden in de Nijldelta al een gedeelde cultuur hadden voordat het land rond 3000 voor Christus werd verenigd in de Eerste Dynastie.

    • Bart Funnekotter