Historicus die liever niet oordeelde

Henk Wesseling (1937-2018) Historicus

Henk Wesseling was het prototype van de Leidse historicus: alles met een vleugje ironie.

Foto Merlijn Doomernik

Een begenadigd stilist die er op schijnbaar achteloze wijze in slaagde complexe onderwerpen helder voor het voetlicht te brengen, dat was de zaterdag in zijn woonplaats Oegstgeest overleden historicus H.L. Wesseling. Een boek of essay van zijn hand was meteen te herkennen aan de krachtige zinnen waarmee de auteur op zijn doel af ging. Spartaans was zijn stijl echter allerminst; eruditie en humor – en dan vooral de ironie – waren een vast bestanddeel van zijn oeuvre.

Wesseling, zijn werkzame leven lang verbonden aan de Universiteit Leiden, citeerde graag de Zwitserse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt, die zei: „Op het gevaar af door de wereld der pedanten als onwetenschappelijk te worden beschouwd, ben ik vastbesloten leesbaar te schrijven.”

Hendrik Lodewijk Wesseling werd op 6 augustus 1937 geboren in Den Haag. Hij was de zoon van de katholieke journalist en politicus C.D. Wesseling. Na zijn gymnasiumopleiding studeerde Henk Wesseling in Leiden geschiedenis. Min of meer bij toeval specialiseerde hij zich er in de geschiedenis van Frankrijk. Zijn proefschrift Soldaat en krijger: Franse opvattingen over leger en oorlog aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd met lof ontvangen.

De Leidse universiteit benoemde Wesseling hierna op de prille leeftijd van 36 jaar tot hoogleraar algemene geschiedenis, een positie die hij tot zijn emeritaat in 2002 zou bekleden. Tevens was hij van 1995 tot 2002 rector van het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS) in Wassenaar. Hij begeleidde prins Willem-Alexander toen die in 1993 als student geschiedenis in Leiden een afstudeerscriptie schreef over de Nederlandse reactie op het besluit van Frankrijk (onder president De Gaulle) om uit de NAVO te treden.

Wesseling was een bijzonder productief auteur. In een liber amicorum dat vorig jaar ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag verscheen, staat een bibliografie van liefst 560 publicaties. Daar moet de in juni dit jaar verschenen essaybundel Daverende dingen dezer dagen nog aan worden toegevoegd.

Frankrijk en de koloniale geschiedenis van Europa waren Wesselings belangrijkste onderwerpen. Hij schreef er een aantal succesvolle boeken over: Verdeel en heers. De deling van Afrika, 1880-1914 (1991), Europa’s koloniale eeuw. De Europese koloniale rijken in de negentiende eeuw (2003), Frankrijk in Oorlog, 1870-1962 (2006) en De man die nee zei: Charles de Gaulle, 1890-1970 (2012).

Lees ook een interview met Wesseling over zijn boek Een Franse cultuur- en familiegeschiedenis: ‘Als ik niet schrijf, verveel ik me’

Terughoudendheid

Hoewel hij met Europa’s overzeese geschiedenis een heikel onderwerp te pakken had, liet Wesseling morele oordelen over het verleden liever achterwege. Ook dat maakte hem, met die ironische schrijfstijl, tot een ‘typisch Leids’ historicus. Het dichtst bij een oordeel kwam hij wellicht in Europa’s koloniale eeuw, dat hij afsloot met deze constatering: „In dit boek zijn verschillende uitspraken te vinden die laten zien hoezeer de Europeanen indertijd overtuigd waren van hun eigen superioriteit, van het feit dat zij niet alleen het recht hadden te koloniseren, maar zelfs de plicht daartoe, omdat hierdoor beschaving werd gebracht aan volken die in duisternis leefden. Er zijn in dit boek ook voldoende gegevens te vinden die aantonen dat de werkelijkheid anders was. Men behoeft de krant slechts op te slaan om te zien dat tegenwoordig meer aandacht wordt gegeven aan het laatste dan aan het eerste gezichtspunt.”

Adriaan van Dis roemde Wesseling in de vorig jaar verschenen verjaardagsbundel om zijn terughoudendheid om op de stoel van aanklager plaats te nemen: „Opwinding en verontwaardiging staat hij zich als schrijver niet toe. Hij neemt afstand: stapje terug, stapje hoger, en kiest zo voor een beter uitzicht én inzicht.” Vreemd eigenlijk, aldus Van Dis, dat Wesseling nooit de P.C. Hooftprijs heeft mogen ontvangen.

Wesselings onderwerpkeuze beperkte zich nadrukkelijk niet tot het schrijven voor vakgenoten. Hij noemde zichzelf dan ook ‘historicus van beroep, maar geen beroepshistoricus’. Vooral in de columns en essays die hij schreef, gedurende acht jaar ook voor NRC Handelsblad, gaf hij blijk van een brede belangstelling. Zo begon hij ooit een column in deze krant met de zin „Uit talloos veel meloenen feilloos de juiste kiezen, is iets wat niet voor iedereen is weggelegd”, om vervolgens een betoog te ontvouwen over de verschillen in culinaire cultuur tussen Nederland en Frankrijk. Die van Nederland dolf, niet geheel verrassend, het onderspit.

Wesseling zag zijn werk als een dialoog met het publiek. In de biografie/autobiografie die hij in 2008 publiceerde over zijn vader en zichzelf, noteerde hij: „Ik beschouw mijn ideeën toch als niet meer dan voorstellen aan de lezer. Zo denk ik er nu over. Anderen zullen er weer anders over denken. Dat geeft niet, want zo schrijdt de beschaving voort.”

    • Bart Funnekotter