Recensie

Ehnes blijft een winterse violist in een zomers landschap

In het Vioolconcert van Brahms beantwoordt violist James Ehnes de warmbloedige vraag van het orkest met koel meesterschap.

Violist James Ehnes. Foto Benjamin Ealovega

Zijn instrument, de Marsick Stradivarius, kent niet zozeer een eigen karakter, maar doet wat de violist hem influistert, zei de Canadees James Ehnes. Hij kan elk verhaal erop vertellen, van de lichtvoetige Mozart tot de duistere wanhoop van Sjostakovitsj. Waarom ontbrak het dan aan hartstocht in het Vioolconcert van Brahms?

Dirigent Edward Gardner schilderde met zijn Bergen Philharmonisch Orkest de ondergrond voor een meeslepende liefdesgeschiedenis - een warmbloedigheid die Ehnes beantwoordde met koel meesterschap dat wel bewondering, maar geen ontroering afdwong. Orkest en solist leken in twee verschillende sferen: een ijle winterse viool in de volle kleurenpracht van de zomer.

In zijn toegift - Sarasate’s Zigeunerweisen - bewees Ehnes dat het anders kan. Daarin dook hij diep de snaren in. Alsof er een last van hem afviel, kwam plots het vuur vrij.

Misschien had Ehnes - om in de stemming te komen - aan het begin van het concert moeten aanschuiven bij de orkestviolisten in het ‘Vorspiel’ uit Der fliegende Holländer van Wagner. In die tien minuten dompelde Gardner het publiek onder in de spookachtige liefdesgeschiedenis op de fjordenkust van Noorwegen; van de opkomst door de verdoemde kapitein in woest golvende strijkers tot de dromerigheid van zijn geliefde Senta in de houtblazers.

En wanneer zij dan de Hollander van zijn vloek bevrijdt door van de rotsen te springen, verstillen de violen en omarmt de zee haar liefdevol, voordat hij opnieuw op de kust begint te beuken.

Met een andere concertmeester ging Gardner na de pauze de grillige Vijfde Symfonie van Sibelius te lijf. Het werk klinkt als een schimmenspel in de mist: telkens toont de componist fragmenten van zijn wereld. Pas in het slotdeel verjaagt de zon de laatste nevels en verheffen zestien zwanen zich majestueus boven een meer. „Lieve Heer, wat een schoonheid!” schreef Sibelius, nadat hij de vogels had gezien. Eenzelfde verzuchting voer door het publiek, toen de losse puzzelstukken van zijn symfonie aan het einde op hun plek vielen.

    • Joost Galema