Opinie

    • Frits Abrahams

Van Nietzsche naar Twain

Omdat Friedrich Nietzsche zich als 24-jarige een poos in Basel had gevestigd, kon ik het niet laten op een zonnige vakantiedag zijn woonadressen op te zoeken. Daarvoor moest ik vooral in de buurt van de Spalentor zijn, een nog bestaande poort in de voormalige stadsmuren van Basel.

Daar heeft Nietzsche in verschillende huizen gewoond tijdens de tien jaar (1869-1879) dat hij hoogleraar klassieke filologie aan de universiteit van Basel was. „Met zijn aankomst in Basel”, schrijft zijn biograaf Curt Paul Janz, „belandt Nietzsche in een volkomen – vooral op geestelijk gebied – nieuw klimaat dat op zijn ontwikkeling de sterkst mogelijke invloeden zal uitoefenen.” Hij schrijft er zijn eerste belangrijke werken.

Nietzsche woonde op enkele adressen aan de Spalentorweg en vijf jaar lang om de hoek, op de Schützengraben 45 (nu 47), waar hij gezelschap had van zijn trouwste vriend, de theoloog Franz Overbeck. Op deze hoek staat een goed geconserveerde fontein uit die tijd met de trotse vermelding dat Nietzsche hier dagelijks langskwam op zijn weg naar de universiteit.

Minder goed nieuws heb ik over de genoemde adressen. Enkele huizen zijn bewaard gebleven en vormen daarom kennelijk een mikpunt van Nietzsche-haters. De gevel van het huis aan de Spalentorweg 48 waar de ziek geworden Nietzsche met zijn antisemitische zus Elisabeth woonde, is beklad met enkele cryptische teksten en symbolen. De bewoners van het pand aan de Schützengraben hebben dat kennelijk willen voorkomen. Zij hebben een hoog, zwart plastic zeil voor de toegangspoort naar de voortuin gespannen. Daardoor oogt de woning als een ontoegankelijk fort.

Arme bewoners. Zij zullen destijds met gepaste trots in die woning zijn getrokken, maar moeten 118 jaar na de dood van de voormalige bewoner ervaren dat roem en doem dicht bij elkaar kunnen liggen.

Dan komt Mark Twain, een tijdgenoot van Nietzsche, er beter vanaf. Op deze befaamde Amerikaanse schrijver, die van 1835 tot 1910 leefde, stuitte ik tot mijn verbazing toen ik in het stadje Weggis langs de oever van het Vierwoudstrekenmeer wandelde. Het is daar zo mooi als God het ongeveer bedoeld moet hebben, had ik net vastgesteld.

Twain was me in alle opzichten vóór geweest. Hij zat hier al in de negentiende eeuw genietend over het meer uit te kijken, in de schaduw van de berg Rigi. Dat bleek uit een aan hem gewijd klein, maar fraai monument aan het water.

In 1878 was hij voor het eerst in deze contreien geweest. Samen met zijn vriend Joseph Twitchell klom hij in drie dagen naar de top van de Rigi. „We konden niet praten”, schreef hij over die ervaring, „we konden nauwelijks ademen. We konden alleen in dronken extase staren en het in ons opnemen.”

In 1897, bijna twintig jaar later, vestigde Twain zich met zijn gezin enkele maanden in een villa in Weggis. Hij was de schoonheid van de omgeving niet vergeten. Dagelijks deed hij iets waar ik hem nu om moet benijden: gezeten onder een oude eik mijmerend over het meer uit kijken. Ik kan hem wel nadoen, maar die oude eik is weg.

„Dit is de liefelijkste plek waar ik ooit heb geleefd”, schreef Twain. Hij was er ook naar teruggekeerd om in alle rust het verdriet over een pas gestorven dochter te verwerken.

    • Frits Abrahams