Opinie

    • Marc Hijink

Oerbewoners van Leidsche Rijn

Een vinexzee overspoelde de afgelopen twintig jaar Vleuten en De Meern. De nieuwbouw verdreef de natuur en daarvoor in de plaats kwamen de vinexhuisdieren.

De baasjes van Peppi en Kokki, zo kent ze ons. Iet van Vuuren runt kattenpension Den Hoet in de Utrechtse woonwijk Leidsche Rijn. Van elke logeerpoes weet ze de naam – ‘onze klanten’, noemt ze hen. En als Iet hoort dat Peppi een aanrijding met een auto niet overleefde, is ze oprecht ontdaan. „Zo’n lief beestje.”

„Als je later geld wilt verdienen”, troost ze mijn dochter, „zorg dan gewoon dat je een grote schuur vol poezen hebt”. Zelf verzorgt ze zo’n vijftig katten. „Eerst had ik er meer dan honderdvijftig. Maar ik ben 62, het is tijd om af te bouwen.” De logeerprijs ging van tien naar elf euro per dag. „Ik blijf ondernemer – in die laatste euro zit de winst.”

Den Hoet is een monumentale boerderij, een van de laatste groene eilandjes in de vinexzee die de afgelopen twintig jaar Vleuten en De Meern overspoelde. In 2030 wonen 90.000 mensen in de grootste nieuwbouwwijk van Nederland.

Iets vader kocht Den Hoet in 1989. Een goede investering, want in de overbevolkte Randstad blijven de huizenprijzen stijgen. De waarde is sindsdien verachtvoudigd, schat Iet.

Ze werd geboren op de witte boerderij Hof ter Weyde, even verderop. Die is nog eigendom van haar broer Kees. Samen zagen ze de stad komen: de Haarrijnseplas werd afgegraven voor bouwgrond, de leemlaag gebruikt voor dakpannen.

Tegen de nieuwbouw heeft ze nooit geprotesteerd. Behalve tegen de brandweerkazerne, een betonnen zerk van tien verdiepingen die sinds 2005 zijn schaduw over Den Hoet werpt.

„Op mijn oude TomTom staan de wegen van vroeger”, zegt Iet. Als meisje liep ze met haar oma naar de streng gereformeerde kerk in Utrecht – hoedje verplicht – langs weilanden en een paar boerderijen. De veehouders verkochten hun koeien en land, de hoeves werden restaurant, bezinningscentrum, kunstwerkplaats of idealistische bierbrouwerij.

Den Hoet verkopen was nooit een optie. „Niet zolang mijn moeder leefde.” Iet slaagde erin haar moeder, die 94 werd, tot op het laatst thuis te verzorgen. Makkelijk was het niet.

Dit jaar verrees pal tegenover Den Hoet Leidsche Rijn Centrum, honderden appartementen en winkels. Het heeft allure, vindt Iet, maar de nieuwbouw verdreef de natuur. De patrijzen en fazanten vlogen weg, de hazen werden doodgereden.

Ervoor in de plaats kwamen de vinexhuisdieren, in overvloed. In vakantietijd worden de konijntjes over het hek gekieperd bij de dierenweide. Ook katten zijn er te veel; verwilderde beestjes mogen in de provincie Utrecht worden afgeschoten. Dat is niet leuk, zegt Iet. Maar misschien beter dan dat ze aangereden worden en gewond rondzwerven.

Een deel van de boerderij verhuurt ze aan een zorginstelling. Mensen met een lichamelijke handicap helpen met de katten. Daaruit ontsproot een plan: eigen nieuwbouw. Er staat nu nog een grote loods op haar terrein en het zou mooi zijn om daar zorgappartementen te bouwen. „Dit gebied is het waard om door meer mensen gewaardeerd te worden.” Het zou een plek zijn waar Iet ooit zelf kan gaan wonen – beter dan die veel te dure appartementen in Leidsche Rijn Centrum.

Maar eerst wil ze weer wat natuur terugwinnen op de stad. Iet legt op Den Hoet een tiny forest aan: een privé-oerbosje, ter compensatie van al die betegelde stadstuinen. „Het bos trekt vogels en egeltjes aan. Er zitten nu zelfs weer molletjes in het gras.”

Sommige mensen zien mollen als een overlast. Iet niet. „Alles wat leeft vind ik mooi.”

Marc Hijink is technologie- en economieredacteur. Hij vervangt deze zomer Marike Stellinga.
    • Marc Hijink