Opinie

Journalisten zijn niet de vijand van het volk

Ruim driehonderd Amerikaanse kranten verdedigden zich donderdag tegen Trumps aanvallen op media. nam het voortouw met dit commentaar.

De politiek van president Trump leunt op het voortdurend aanvallen van de vrije pers. Journalisten worden niet aangemerkt als fellow citizens, maar veeleer als ‘volksvijand’. Deze hardnekkige aanval op de vrije pers heeft gevaarlijke gevolgen. Wij vroegen redacties uit het hele land – progressief en conservatief, groot en klein – om vandaag samen met ons in hun eigen bewoordingen op deze fundamentele bedreiging in te gaan.

De vervanging van een vrije pers door staatsmedia heeft bij elk corrupt bewind dat een land overnam altijd voorop gestaan. Inmiddels hebben we in de Verenigde Staten een president die tot mantra heeft verheven dat media die niet luid en duidelijk het beleid van deze Amerikaanse regering steunen ‘volksvijanden’ zijn. Dat is een van de vele leugens waar deze president mee strooit, zoals een kwakzalver vroeger ‘toverstof’ of water over een hoopvol publiek strooide.

Al meer dan twee eeuwen lang beschermt dit Amerikaanse grondbeginsel journalisten in eigen land en strekt het andere vrije landen tot voorbeeld. Maar nu wordt het ernstig bedreigd. En het is een alarmerend signaal aan despoten van Ankara tot Moskou en van Peking tot Bagdad dat journalisten als binnenlandse vijand kunnen worden behandeld.

De pers is noodzakelijk voor een vrije samenleving omdat ze niet zomaar de leiders vertrouwt – van het plaatselijk bestuur tot het Witte Huis. En het is geen toeval dat deze president, die met zijn duistere handel en wandel Justitie aanleiding heeft gegeven tot de benoeming van een onafhankelijke onderzoeker om zijn gangen na te gaan, zo hard probeert journalisten te intimideren die onafhankelijk onderzoek doen.

Lees ook: Amerikaanse pers laat zich terecht niet stil en zwijgend verketteren

Ooit was er een brede overeenstemming onder alle partijen en generaties in de Verenigde Staten dat de pers deze belangrijke rol speelde. Maar die opvatting wordt door veel Amerikanen niet meer gedeeld. ‘De media zijn de vijand van het Amerikaanse volk’ is een gevoel dat deze maand in een Ipsos-peiling door 48 procent van de ondervraagde Republikeinen werd onderschreven. Die peiling is geen uitschieter. Deze week bleek 51 procent van de Republikeinen de pers te beschouwen als ‘de vijand van het volk in plaats van een belangrijk onderdeel van de democratie’.

De vliegwielwerking van Trumps aanvallen verklaart voor een deel waarom zijn getrouwen hem op ondemocratisch terrein volgen. Meer dan een kwart van de Amerikanen zegt inmiddels dat „de president de bevoegdheid zou moeten hebben om media te sluiten die zich slecht gedragen”, waaronder 43 procent van de Republikeinen. Dertien procent van de ondervraagden vond dat „president Trump reguliere nieuwsmedia als CNN, The Washington Post en The New York Times zou moeten sluiten”.

Trump kan de pers hier natuurlijk niet verbieden om haar werk te doen. Maar het model om zijn aanhang in die richting op te hitsen is dat van 21ste-eeuwse potentaten als Vladimir Poetin en Recep Tayyip Erdogan; je hebt geen formele censuur nodig om informatieverschaffing te onderdrukken.

Het slappe verweer van Trumps verdedigers is dat hij alleen doelt op vooringenomen berichtgeving en niet op de hele vierde macht. Maar uit zijn eigen woorden en lange historie op dit gebied blijkt keer op keer hoe enorm cynisch en onoprecht dit argument wel is.

Lees ook: ‘Als niemand voor ons opkomt, moeten we het zelf maar doen’

Voor de Founding Fathers, stichters van de VS, sprak het vanzelf dat de pers vooringenomen was en toch hebben ze de vrijheid van journalisten en uitgevers expliciet in de Grondwet verankerd. „Onze vrijheid is afhankelijk van de persvrijheid en die kan niet worden beperkt zonder verloren te gaan”, schreef Thomas Jefferson.

Al sinds de stichters klagen Amerikaanse politici van alle partijen over de media en proberen ze stemming te maken door te beweren dat het nieuws vooringenomen is tegen hun club. Maar er was altijd respect voor de pers als instituut. Het is nog niet zo lang geleden dat Ronald Reagan verklaarde: „Onze traditie van een vrije pers als onmisbaar onderdeel van onze democratie is belangrijker dan ooit.”

„De pers moet de bestuurden dienen, niet de bestuurders”, schreef opperrechter Hugo Black in 1971. Was dat nog maar zo. Nu aanvaardt Trumps beweging alleen die media als legitiem die onvoorwaardelijk achter de persoon van haar leider staan.

Sterker nog, de president zaait niet alleen binnenlandse verdeeldheid voor politiek en persoonlijk gewin, maar hij vraagt zijn publiek ook om hem naar Fantasia te volgen. „Hou u maar vast aan ons, geloof niet in die flauwekul die u van die mensen ziet, dat nepnieuws”, zei hij vorige maand tegen een publiek in Kansas. „Bedenk goed: wat u ziet en wat u leest is niet wat er gebeurt.” George Orwell verwoordde het eleganter in zijn roman 1984. „Van de partij moest je de aanwijzingen van je ogen en oren verwerpen. Dat was haar laatste, meest wezenlijke bevel.”

Het is een wezenlijk besluit van Trumps stortvloed van oneerlijkheid dat hij nu de objectieve werkelijkheid betwist en zijn aanhang oproept om dit ook te doen. Volgens een lijst die is opgesteld door The Washington Post, heeft Trump in de eerste 558 dagen van zijn presidentschap 4.229 onware of misleidende beweringen gedaan. Maar onder Trumps aanhangers vindt maar 17 procent dat de regering regelmatig onware beweringen doet. ‘Alternatieve feiten’ zijn een feit geworden. Leugens staan haaks op een geïnformeerde burgerij die verantwoordelijk is voor haar eigen bestuur. De grootheid van Amerika is afhankelijk van de rol van een vrije pers die de machthebbers de waarheid vertelt. Om de pers ‘volksvijand’ te noemen is even on-Amerikaans als gevaarlijk voor het burgerlijk contract dat we nu al meer dan twee eeuwen delen.

(Vertaling: Rien Verhoef)