‘Ik begreep wat Hammarskjöld zocht in Lapland’

Joris Vercammen (65) liep door Zweeds Lapland over het Dag Hammarskjöldpad

‘Op 21 mei 1961 zat ik in ons dorp Herenthout, bij Antwerpen, met mijn ouders en broer in de kerk. Het was de hoogmis van Pinksteren en ik was acht jaar. Ik wilde erg graag misdienaar worden, maar ik was nog te jong. Toen kwam aan het begin van de mis de kapelaan naar me toe en zei: „Joris, we hebben je nodig.” Een van de misdienaars was niet op komen dagen en ik mocht invallen. Mijn taak was simpel: met een lampionnetje op de trap van het altaar zitten. Achttien jaar later werd ik tot priester gewijd.

Een groot voorbeeld voor mij, al vanaf mijn studententijd, is Dag Hammarskjöld, de Zweedse diplomaat die van 1953 tot zijn dood in 1961 voorzitter van de Verenigde Naties was en postuum de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. Hij was een non-conformist, authentiek en radicaal, op een rustige manier. Die radicaliteit is waarschijnlijk zijn dood geworden. Er zijn sterke aanwijzingen dat het vliegtuig waarin hij zat op weg naar een vredesmissie in Congo is neergehaald.

Wat mij altijd geïntrigeerd heeft, is hoe hij, met twee benen in de politieke werkelijkheid, zocht naar mogelijkheden om christen te zijn in de complexe wereld waarin we leven – iets waar ik als geestelijke en als aartsbisschop van de Oud-Katholieke Kerk in Nederland ook erg mee bezig ben. In zijn boek Merkstenen, overpeinzingen in de vorm van dagboekaantekeningen, troffen mij de passages over het mysterieuze begrip ‘overgave’. Hammarskjöld slaagde er uiteindelijk in om zich over te geven. Aan God, en aan zijn roeping van vredestichter.

Overstap naar de Oud-Katholieke Kerk

Toen ik in de zomer van 2015 naar Zweeds Lapland ging voor een wandeltocht van een week langs het Dag Hammarskjöldpad, was dat om in afzondering en in stilte te kunnen nadenken. Het verplichte celibaat en de verkrampte manier waarop de Rooms-Katholieke Kerk in het algemeen omgaat met seksualiteit, was voor mij de belangrijkste reden geweest om eind jaren tachtig over te stappen naar de Oud-Katholieke Kerk. Die heeft minder taboes; homoseksualiteit is geen probleem, net zomin als gehuwde priesters en vrouwen in het ambt. Maar ook bij ons ligt conformisme altijd op de loer. Als kerkbestuurder voel ik me verantwoordelijk: ik wil maatschappelijk iets teweegbrengen, en de oecumene, de eenheid van de kerken – en daarmee van de mensheid – dichterbij brengen. In de Raad van Kerken en de Wereldraad van Kerken, waar ik lid ben van het Centraal Comité, bespreken we belangrijke onderwerpen als euthanasie en seksualiteit, maar de behoudende krachten zijn sterk. Daar worstelde ik mee.

De naar Hammarskjöld genoemde route loopt door een natuurgebied waar hij zelf graag eenzame wandeltochten maakte; eerst van Abisko naar Singi langs het Koningspad, een bekende wandelroute in Noord-Zweden, om daarna af te buigen naar het oosten, en te eindigen in Nikkaluokta. Het is een groots, ruim, rauw landschap, boven de boomgrens. Valleien zoals in Zwitserland, maar dan zonder huizen en mensen. Je ziet niemand en niks, alleen natuur. Overweldigend. Onze Zweedse zusterkerk heeft de weg gemarkeerd, en voorzien van zeven grote keien – met citaten uit Merkstenen, die je tegenkomt aan het eind van een dag lopen. Op de eerste staat: ‘De langste weg is de weg naar binnen’.

Lopen in stilte

Ik begreep wat Hammarskjöld hier zocht. Het lopen in de stilte, en met niets anders bezig hoeven zijn dan van hier naar daar te komen. De versimpeling van het leven die ruimte schept. Mijn gedachten over de kerk en mijn taak daarbinnen, over hoe ik mijn engagement, mijn roeping, zou kunnen vormgeven, gedachten die eerst vooral in mijn hoofd zaten, bereikten nu ook mijn hart. Ik wist niet alleen wat me te doen stond, ik voelde het ook. Niet dat het makkelijker geworden is sindsdien, eerder moeilijker. De druk om niet aan verwachtingen te voldoen is groter, urgenter geworden, terwijl de verleiding om me te conformeren niet verdwenen is. Maar ik ben er meer dan ooit van overtuigd dat het geen zin heeft om een andere weg te gaan.

Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat die Pinksterzondag 1961, waarop ik te horen kreeg ‘Joris, we hebben je nodig’, exact dezelfde dag was waarop Dag Hammarskjöld in zijn dagboek schreef: ‘Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer hij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ‘ja’ tegen iemand – of iets.’”

In deze zomerserie vertellen mensen over hun ‘moderne bedevaart’.