Opinie

Hoe Brits is dit eigenlijk?

Brexit

Het idee van een puur Engels verleden dat de aanhangers van Brexit oproepen is een illusie, betoogt . De Britse cultuur is als geen ander verrijkt door buitenlandse kunstenaars.

Illustratie Nanne Meulendijks

Voorstanders beschreven het als een reddingsplan van de markante, eigen cultuur uit de grijze soep van de Europese bureaucratie. Tegenstanders zeiden: het is snijden in je eigen vlees om vage, emotionele redenen van nationale trots. En inderdaad, de stap van de Britten uit de Europese Unie lijkt grotendeels gedreven door emotie. Maar ook emotionele argumenten verdienen het om onderzocht te worden. Temeer omdat veel Britten de schade op de koop toe lijken te nemen, als het gezicht van de natie maar wordt gered.

De directe vraag is dan: hebben naties zoiets als een gezicht? En als dat zo is, waaruit bestaat het? Het correcte antwoord is dat die vraag irrelevant is, niet meer van deze tijd en op zijn slechtst schadelijk. En het is waar, de meeste stukken die je leest ter verdediging van het nationale onderscheid willen uitleggen waarom de natie tegen vreemde invloeden beschermd moet worden.

Toch klinkt dat correcte antwoord ook als een dooddoener, een beetje uit de hoogte: jij wilt hagelslag? Krijg je niet, want je hebt het niet nodig en het is ook niet goed voor je. Maar intussen juichen wij ook als de Dames Oranje een wereldtitel veroveren. Iets in ons wil hagelslag. Het emotionele argument heeft dus wel een grond om rekening mee te houden.

Bewegingen die zich daarmee voeden spoken door de hele westerse wereld, maar Engeland cultiveert die behoefte van oudsher openlijk, bij rechts én links. Het gezicht van de natie is daar een kostbaar goed, des te feller verdedigd naarmate de contouren van dat gezicht versmalden: in Schotland en Wales werd de eigen regionale identiteit belangrijker dan die van de Britse paraplu. Tegelijkertijd bereikte het nationale sentiment in Engeland, de grootste ‘deelstaat’ van het Verenigd Koninkrijk, het kookpunt. Daar wordt het idee van die Britse natie nog steeds breed gekoesterd als een grote gezonde familie met zijn eigen spijswetten en karakter.

En het grappige is dat we aan onze kant van het Kanaal die eigenschappen óók impliciet onderschrijven. De Netflixserie The Crown en de film The King’s Speech waren niet voor niets een wereldwijd succes. Darkest Hour, de mooie en knap gemaakte film over Churchill, is een onomwonden nationalistisch portret van een land dat zich eensgezind achter de mompelende leider schaart. Ik heb niemand gehoord, ook niet in Nederland, die daar over viel.

Ook Simon Schama’s boek The Face of Britain, the Nation through its Portraits, met bespiegelingen aan de hand van de portretten in de National Portrait Gallery, was in de hele wereld een bestseller. Tussen die personages in dat Londense museum – van historische vorsten tot Amy Winehouse – ontmoeten we ook de leden van de Kit-Cat Club, een achttiende-eeuws gezelschap dat zijn naam dankte aan de schapenvleespasteien (kit cats genoemd) die het tijdens de sublieme conversaties in het café van Christopher Catling at (‘Kit’ is kort voor ‘Christopher’). Een handje belachelijkheid en zelfspot zijn de peper in de pastei van nationale eigenliefde.

Familiealbum van de natie

Toen Schama begon aan The Face of Britain, een „familiealbum van de natie”, zoals hij het noemt, zal hij niet hebben gedroomd dat het echt tot een afsplitsing zou komen. Toch past het wel bij het sentiment waar de voorstanders van Brexit zich op beroepen. Bij ons zijn nationale portrettengalerijen een beetje uit de gratie, maar ondanks hun „argwaan jegens de paraderende elite” (Schama) laten de Britten diezelfde elite toch graag opdraven om de nationale cultuur te representeren: kit cats in de plaats van Hollandse hagelslag. Het is een van de redenen dat Schama’s boek het overal zo goed deed: het sluit aan bij iets dat we allemaal heel makkelijk doen. Zo praten we over elkaar en onszelf. We zeggen ‘typisch Engels’, ‘typisch Frans’, ‘typisch Hollands’, enzovoorts. Soms met ergernis maar vaak met de vergevingsgezinde consensus dat die verschillen er nou eenmaal zijn. En dat die tot op zekere hoogte het koesteren waard zijn. Je kunt er films mee maken, boeken over schrijven, sportwedstrijden omheen organiseren.

Lees ook: Brexit komt naderbij. Vier scenario’s.

Dat is iets om over na te denken, in deze maanden waarin de noodlottige uittreding van de Britten uit de Europese Unie steeds dichterbij komt, twee jaar na het referendum daarover. De meest gehoorde argumenten voor Brexit wekken mijn weerzin, en toch is ook het moeilijk om je helemaal te onttrekken aan dat verwijt van Europese grijsheid.

Is het Europa van de Unie door alle uitbreiding en samenwerking inderdaad grijzer en saaier geworden?

In zijn boek Ach Europa! (1987) schreef Hans Magnus Enzensberger al dat de kracht en uniciteit van Europa juist bestond uit de variatie. Dat Britten, Noren, Spanjaarden, Italianen onderling van elkaar verschillen, heeft grote waarde, vond hij. Hij vreesde ook dat de eenwording van Europa ten koste zou kunnen gaan van die fijne verschillen. Maar net zomin als Schama heeft Enzensberger gepleit voor isolationisme. „Variatie”, schreef hij, „heeft in Europa altijd gefunctioneerd als bron van uitwisselbaar kapitaal.” Juist als je verschillen in stand wilt houden binnen een levend geheel, moet je bereid zijn tot uitwisseling en samenwerking.

Europese toverlantaarn

De kunstgeschiedenis biedt voor dat idee veel steun. Het hele bouwwerk van de Europese kunst is sinds de Middeleeuwen gefundeerd op dat principe. Iemand had ergens iets gezien en probeerde duizend kilometer verderop ook zoiets te doen, net even anders. Iemand kocht een schilderij in Brugge om het in Florence of Madrid op te hangen – en vice versa.

Als je een kaart zou tekenen van het Europese artistieke verkeer na 1400, zou die kaart binnen een paar decennia zwart zien van de stippellijnen. Prinsen en prelaten stuurden hun kunstenaars op pad om aan de andere kant van de Alpen te halen wat ze zelf niet in huis hadden. Zo weefde zich rondom de uitgestreken gezichten van de machthebbers, de fantastisch kleurrijke toverlantaarn van de Europese kunst.

Als de kunstgeschiedenis een maatstaf is, dan is het geen vrijblijvende dooddoener maar een materieel ondersteund feit: Europa kenmerkt zich van oudsher door zijn bereidheid om bij gelegenheid elkaars kleuren over te nemen. Simpelweg omdat iedereen er baat bij heeft. Omdat het al onze plaatselijke culturen verrijkte.

Als dat ergens wordt bewezen, is het juist bij de Britten, die nu zo druk bezig zijn hun ‘eigenheid’ te waarborgen. De beroemdste portretten uit Schama’s album zijn ook daar, juist daar, negen van de tien keer gemaakt door een buitenlander. Iemand die met doeken en penselen en met gevaar voor eigen leven op een boot was gestapt om het Kanaal over te steken, in de hoop op klanten voor zijn kunst. De beroemdste gezichten uit het Britse kunstbezit zijn gemaakt door een Zwitser, Hans Holbein (The Ambassadors, twee Franse heren) en een Fransman, Hubert le Sueur (het ruiterbeeld van Charles I dat op Trafalgar Square staat). Le Sueur stuitte bij aankomst in Londen op een kolonie Vlamingen, Nederlanders, Italianen en een paar Fransen. En wat zou het ‘gezicht van de natie’ geweest zijn zonder de Antwerpenaar Antoon, pardon, Sir Anthony van Dyck? Zonder de enorme influx van al die buitenlandse kunstenaars: vlak en provinciaals.

Buitenlands cultureel kapitaal

Een paar maanden na verschijning van zijn boek deed Schama een bevlogen oproep tegen de neiging om de eigen identiteit af te schermen. In de The Financial Times betoogde hij in juni 2016 opnieuw dat de Britse identiteit grotendeels is opgetrokken uit buitenlands cultureel kapitaal. Daarbij noemt hij ook een voorbeeld dat elke Nederlandse lezer zal aanspreken. „De Bill of Rights van 1689 die onze constitutionele monarchie definitief zou vestigen, was het directe resultaat van een Nederlandse invasie, waarbij achttien maanden lang 20.000 krijgslieden in Londen waren ingekwartierd. De rechtvaardiging achteraf was dat Willem van Oranje was ‘uitgenodigd’ door een aantal edellieden. Maar de waarheid was dat Willem naar Engeland kwam, uitnodiging of niet, omdat deelname van dat land aan de strijd tegen Lodewijk XIV van levensbelang was voor het voortbestaan van de Republiek der Nederlanden. De Britse grondwet is dus ontstaan omdat we een Europese coalitie binnengetrokken werden tegen het Franse absolutisme dat vier jaar eerder het protestantisme in de ban had gedaan.”

Waarna 50.000 Hugenoten het Kanaal overstaken om in Londen een toevluchtsoord te vinden, zonder enige merkbare schade aan de Britsheid. Au contraire.

Schama’s betoog is erg emotioneel; vermoedelijk is hij zich doodgeschrokken van de dynamiek die in zijn vaderland op gang kwam. Maar het staat als een huis, geschraagd met historische feiten. Alleen, en subtiel verschillend van de discussie in Nederland: hij verzette zich niet tegen de cultus van een nationale identiteit. „Brits zijn is van oudsher ook een burger zijn van de grotere wereld, Europa incluis. De twee identiteiten versterken elkaar onderling en sluiten elkaar niet uit”, schreef hij.

Toch koesteren veel Engelsen in 2018 nog steeds de droom van een unieke eilandcultuur. Je kunt een college afsteken over alles waarin dat beeld tekort schiet, maar het maakt deel uit van elke levende cultuur. En de verschillen zíjn ook leuk en aantrekkelijk.

Valse waar

Maar iedereen die belooft dat een afscheiding van de Europese Unie gaat helpen bij het waarborgen van het nationale gezicht, verkoopt valse waar. Het eerlijke antwoord aan mensen die daar gevoelig voor zijn is: droom gerust van een eeuwigdurende wandeling in zo’n English garden met een boekwinkeltje en een pub bij de ingang, maar weet dat die tuin is aangelegd naar voorbeeld van een fantasie-Italiaans landschap door een Franse schilder. Het is begonnen als fictie en dat is het vandaag meer dan ooit. Fictie is fijn, het geeft kleur en plezier. Maar een tijd van pure, onverdunde Britsheid (of Nederlandsheid) heeft nooit bestaan.

Schama’s oproep tot redelijkheid werd overstemd door de ketelmuziek van Boris Johnson en Nigel Farage. Een week later stemden de Britten voor hun exit.

Binnenkort gaat het echt gebeuren. Britse kunstenaars hebben zich direct na het referendum massaal uitgesproken tegen de afscheiding, maar sinds begin dit jaar is er ook een groep Artists4Brexit; een uithangbord voor het feit dat emotie in dit debat wint van rede, want als er één beroepsgroep is die op alle denkbare manieren hierdoor wordt benadeeld, is het die van de kunstenaars.

Jammer voor hen, en voor ons. De Europese kunstgeschiedenis en die van de Britten bewijst: opgesloten op zijn eiland zal een cultuur die ooit deel uitmaakte van het Europese mozaïek er niet kleurrijker of authentieker op worden, maar saaier, gefrustreerder, provinciaals.