Recensie

Zadie Smith negeert de olifant in de kamer

Zadie Smith Haar gebundelde essays bruisen van een veelzijdigheid die zich uitstrekt van Schopenhauer tot Charlie Kaufman en Jay-Z. Ze is op haar best wanneer het verhalende het wint van het essayistische.

Foto: Alex MacNaughton Zadie Smith

Een van de opvallendste kenmerken van de romans van de Britse Zadie Smith (1975) is hoe uiteenlopend de werelden zijn waarin ze zich afspelen. Of het nu de Amerikaanse academische wereld is (Over schoonheid, 2005) of Noordwest-Londen (NW, 2012), Smith beschrijft ze als vanzelfsprekend. En wanneer generaties botsen of klassen botsen (wat bij Smith meer regel dan uitzondering is) heb je nooit het gevoel dat haar empathie bij voorbaat vastligt.

Voel je vrij, haar onlangs verschenen essaybundel, biedt wel een verklaring voor die veelzijdigheid: Smith heeft eenvoudigweg een heel brede belangstelling, en is in staat onorthodoxe dwarsverbanden te zien. Justin Bieber of Billie Holiday, Schopenhauer of Charlie Kaufman, John Keats of Jay-Z, ze komen allemaal uitgebreid aan bod, zonder dat je ook maar een moment het idee krijgt dat ze het erom doet.

Dit is Smiths culturele referentiekader, en de lezer mag meekijken. Soms letterlijk: in een (wel erg korte) terugblik op NW, in een prachtig stuk ‘Danslessen voor schrijvers’ (dat zich laat lezen als een uitgebreide voetnoot bij haar roman Swing Time (2016) of in haar Philip Roth-lezing, een prachtig stuk over ‘onmogelijke identiteiten’, wat het betekent om een roman in de ik-vorm te schrijven.

Misantropie

Een essay over Charlie Kaufmans film Anomalisa begint met een bezoekje aan een wat oudere animatiefilm, waarin de kwaliteit van de special effects minder was dan tegenwoordig, wat haar veel meer stoort dan de kinderen met wie ze de film bekeek. Het unheimliche dat het net-niet-mensachtige met zich meebrengt, wordt door Kaufman handig ingezet, en door Smith beschreven via de misantropie van Schopenhauer.

Een ander mooi stuk gaat over het filmproject The Clock van Christian Marclay, die een 24 uur durende collage heeft gemaakt van filmbeelden waarin een klok te zien is, zodat je al die fragmenten op een andere manier gaat beleven, een manier van kijken zoals Bianca Stigter dat in deze krant ook doet: kunst, wereld en leven laten samenvallen. Smith is op haar best wanneer het verhalende het wint van het essayistische.

Hoe mooi breed en inclusief dit ook klinkt: er is wel een probleem met het boek, dat Smith zelf onderkent. De stukken zijn geschreven in ‘de Obama-jaren’, en de manier waarop aan die jaren een eind kwam, zag Smith niet aankomen. Dat ze geen zin heeft om over Trump te schrijven (diens naam valt één keer, in het dankwoord voor een literaire prijs dat ze twee dagen na de Amerikaanse verkiezingsuitslag uitsprak) valt te billijken, maar het gevolg is wel dat je het gevoel krijgt dat in verschillende essays de olifant in de kamer nogal genegeerd wordt. Wat in haar romans een belangrijke kracht is, de vanzelfsprekende manier waarop ze gaan over de wereld waarin wij leven, wordt hier een zwakte – juist deze stukken zijn gedateerd. Smith komt niet verder dan de combinatie van onbegrip en vertwijfeling, zo blijkt uit haar Brexit-dagboek.

De keuze van het essay ‘Vreugde’ om de bundel mee af te sluiten, lijkt omineus. Het is een stuk uit 2013 over verschillen en overeenkomsten tussen plezier en vreugde, een lichte meditatie, tot aan het slot, waarin ze terloops laat vallen dat ze onderweg is naar het Auschwitz-museum met iemand die ze liefheeft. ‘We waren op weg naar alles wat het leven ondraaglijk maakt, en voelden het enige waardoor het toch de moeite waard is. Dat was vreugde.’

Voel je vrij voelt bij vlagen als escapisme, een vlucht naar de wereld van kunst, muziek, film en literatuur. Je bent geneigd van Zadie Smith net wat meer te verwachten.

    • Toef Jaeger