Opinie

    • Michel Krielaars

Waarom literair bier je goed doet

‘Ik kuier aldoor kaarsrecht door de stad, want als ik me een pietsje vooroverbuig, gutst het bier er zo uit, en aldus boordevol gevuld en gedrogeerd neem ik zo nu en dan vijfduizend kroon op en ben ik zoetjesaan bezig mijn moeders erfenis met drinken erdoorheen te jagen, aangezien ik het beter vond om ter ere van mijn bierbrouwerijmoeder er meer dan honderdduizend kroon met drinken doorheen te jagen dan om voor dat geld onbeweeglijk en ondeugdelijk vastgoed aan te schaffen … en al helemaal omdat mijn mamaatje zelf zo op bier verzot was dat ze ’s morgens al met ferme trek een paar flesjes Nymburkse lager tot zich nam.’ Voor zo’n heerlijke zin moet je niet in de Nederlandse literatuur zijn, maar bij de Tsjech Bohumil Hrabal (1914-1997). Ik plukte hem uit het kleine boekje Beste Karel. Zeven brieven van Bohumil Hrabal aan zijn vriend Karel Marysko, dat onlangs in een vertaling van Kees Mercks verscheen en nu al tot mijn favorieten behoort.

Ineens herinnerde ik me mijn bezoek aan De Gouden Tijger, Hrabals stamkroeg in Praag. Ik kwam er jaren na zijn dood, in de hoop op een feest der herkenning. En inderdaad, in de gelagkamer stapte ik een Hrabalesque scène binnen. Aan lange tafels zaten zo’n honderd stoere mannen in blauwe overalls, met enorme pullen bier voor zich. Aangezien ik met twee mooie vrouwen in de deuropening stond, richtten ze hun blikken op ons. Dreigend en stilzwijgend, alsof we niet welkom waren. En toen hieven ze tegelijkertijd het glas, om hun bier in een lange teug naar binnen te gieten, waarna ze hun gesprekken voortzetten alsof wij niet bestonden.

Niets is zo leuk als een schrijver achterna te reizen. En daarom sla ik Joris van Casterens Het glas van Casanova open. Hij treedt daarin in de voetsporen van zijn literaire helden en voert me mee op de bumper van zijn enthousiasme. Aan de kust van East-Anglia probeert hij met zijn dochter het door obsessies en angsten beheerste universum van W.G. Sebald te bevatten. Daarna reis ik met hem mee naar het door Frans Coenen gekoesterde zonderlinge echtpaar Willet-Holthuysen in Amsterdam (mevrouw Holthuysen was volgens Coenen een hermafrodiet). Ook beleef ik het Hollywood-avontuur van Aldous Huxley mee en zit ik aan het ziekbed van George Orwell op het eiland Jura. Uiteindelijk beland ik in het huis van de dissidente schrijver Michail Boelgakov in Moskou en op twee locaties waar Joseph Roth zich ophield. Vaak levert het helemaal niet zoveel op. En toch wil ik het allemaal weten en geniet ik van alles wat Van Casteren me laat zien. Zo doet de ruzie om niets tussen W.F. Hermans en Hans van Straten (reislocatie Utrecht) me smullen, ook omdat Hermans zijn vriend bekent niet meer bij hem te willen logeren vanwege zijn toenemende holle rokershoest.

Het hoogtepunt in Van Casterens reisverhalen is zijn bezoek aan het Overijsselse stadje Rijssen, waar Belcampo’s novelle Het grote gebeuren (1946) zich afspeelt. De gereformeerde Rijssenaren zijn nog altijd zo geschokt over de door hem verzonnen helle- of hemelvaart, dat ze een standbeeld van de schrijver in hun woonplaats tegenhouden.

Het is de Hollandse bekrompenheid op zijn smalst, die me naar het bier van Hrabal doet snakken – ‘want nu pas ben ik erachter gekomen dat je door weinig bier te drinken ongelofelijk stupide wordt, maar dat je door het drinken van grote kwanta bier juist geniaal wordt.’

    • Michel Krielaars