Dit zijn de zeven financiële puzzels van Rutte III

Begrotingsplannen De eerste begroting van het kabinet-Rutte III is in de maak. Gaat iedereen iets merken van het economisch herstel, zoals beloofd? De financiële puzzel wordt komende weken gelegd.

Terwijl een deel van de Tweede Kamer nog op de camping staat, is de zomervakantie voor het kabinet ten einde. Deze vrijdag ontvangt premier Rutte zijn bewindslieden voor een eerste, naar verwachting korte ministerraad in de Trêveszaal. Volgende week moeten zij écht aan de bak. Dan moeten ze meteen praten over de moeilijkste thema’s van het eerste regeringsjaar van Rutte III: het schrappen van de dividendbelasting, de hervorming van pensioenen, het gasbesluit – en hoe we dat allemaal gaan betalen. En: gaat iederéén het economisch nu eens voelen, zoals het kabinet belooft?

Minister Hoekstra (Financiën, CDA) zal komende week de laatste hand willen leggen aan de Miljoenennota, die hij over een maand op Prinsjesdag presenteert. Dat wordt de eerste begroting van dit kabinet, waarover alle bewindslieden komende week in drie zogeheten begrotingsraden mogen meepraten.

De meeste plannen van het kabinet staan al opgesomd in het lijvige regeerakkoord, nu volgt de financiële puzzel van precieze inkomsten en uitgaven. Die kan worden gelegd nu zowel het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als het Centraal Planbureau (CPB) deze week actuele macro-economische cijfers heeft gepubliceerd, over de feitelijke economische groei in de eerste helft van dit jaar en de voorspellingen en risico’s voor de rest van 2018 en voor volgend jaar. Het CPB publiceerde daarnaast de eerste koopkrachteffecten van het voorgenomen regeringsbeleid.

Dit zijn de belangrijke kwesties die bij de begrotingsonderhandelingen op tafel liggen:

  1. Dekking van het gasbesluit

    De grootste verandering sinds de start van het kabinet, met structurele gevolgen voor de overheidsfinanciën, is het ingrijpende besluit van begin dit jaar om de gasproductie in Groningen volledig af te bouwen. Dat leidt in de eerste plaats tot een derving van de gasbaten – ongeveer de helft van de voorziene 2 miljard euro aan inkomsten komt uit Groningse gasvelden. Daarnaast zal het Rijk geld uittrekken voor de afhandeling van schadegevallen, het versterken van nog altijd kwetsbare gebouwen en voor investeringen om de lokale economie te versterken.

    In de Voorjaarsnota van eind mei gaf minister Hoekstra een eerste inschatting van de financiële gevolgen van het gasbesluit. Voor dit jaar gaat het om een tegenvaller van 350 miljoen euro, die de komende jaren oploopt tot 1,1 miljard. Over de dekking ervan gaf Hoekstra alleen duidelijkheid over het lopende jaar 2018. Hij beloofde op Prinsjesdag met een „gedetailleerde en meerjarige invulling van de dekking van het gasbesluit” te komen. Verschillende regeringsbronnen beweren dat deze puzzel al is gelegd, maar dat het kabinet dit pas over een maand bekend wil maken. De cijfers van Hoekstra moeten in ieder geval wordt aangepast aangezien zijn collega Wiebes (Economische Zaken, VVD) eind juni een akkoord sloot met gasproducent NAM over de precieze verdeling van de kosten.

    De oppositie vreest dat het gasdossier ten koste gaat van bepaalde overheidsuitgaven en wellicht zelfs andere departementen tot bezuinigingen dwingt – zorg, onderwijs, defensie. Een nieuwe begrotingsregel bepaalt namelijk dat de gasbaten voortaan onder het ‘uitgavenkader’ vallen, wat betekent dat een tegenvaller op dat vlak binnen de lopende begroting zal moeten worden gecompenseerd. Hoekstra mag niet – en hij wil dat ook niet – de staatsschuld ermee laten oplopen.

  2. Inning schenk- en erfbelasting

    Een tweede financiële tegenvaller lijkt in omvang even serieus te zijn – 450 miljoen euro – maar is nog altijd maar een tijdelijke. Staatssecretaris Menno Snel (Financiën, D66) moest kort voor het zomerreces zowel aan de Tweede Kamer als aan zijn minister erkennen dat een technisch probleem bij de inning van de schenk- en erfbelasting dat eind vorig jaar opdoemde, toch niet binnen een paar maanden was opgelost. Hoekstra was not amused. Zolang het probleem met de automatisering bij de Belastingdienst niet verholpen is, zal Snel tegen dat gat van bijna een half miljard in de belastingopbrengsten blijven aanhikken. Ook Snel heeft beloofd op Prinsjesdag met nieuwe informatie hierover te komen.

  3. Kosten van de dividendbelasting

    Het meest omstreden besluit van Rutte III is het voornemen om, per 2020, de dividendbelasting af te schaffen. Dat komt vooral buitenlandse beleggers in grote beursgenoteerde vennootschappen (Shell, Unilever) ten goede. Omdat het afschaffen van deze administratief complexe belastingsoort veel tijd vergt, wordt dit besluit al in de komende begroting geregeld. In het regeerakkoord heeft het kabinet rekening gehouden met 1,4 miljard euro aan te derven belastingopbrengsten. Maar omdat de economie zo aantrekt, zijn de inkomsten uit de dividendbelasting inmiddels behoorlijk opgelopen. De raming in de Voorjaarsnota bedroeg bijna 1,6 miljard. Volgens een onbevestigd bericht in het AD, donderdagochtend, zou dit bedrag nu zijn opgelopen tot wel 2 miljard euro. Voor de oppositie alle reden om nog harder te roepen dat dit „cadeautje aan multinationals”, zoals zij het plan noemt, niet door mag gaan.

    Lees ook: Hoe de dividendbelasting een blok aan het been van Rutte III is geworden

    Omdat de voorgenomen afschaffing pas in 2020 zal plaatsvinden heeft die nog geen gevolgen voor de begroting van volgend jaar.

    Het kabinet zal de afschaffing van de dividendbelasting willen opnemen in het zogeheten Belastingplan, een grote verzamelwet met alle fiscale wijzigingen voor komend jaar (of al met het oog op 2020). Dat is politiek gezien een handige manier om kritiek op onwelgevallige onderdelen ervan te neutraliseren. Het vergt politieke moed om alle belastingvoorstellen – en daarmee de inkomstenkant van de rijksbegroting – weg te stemmen.

    Om die reden dringt de oppositie erop aan om de afschaffing van de dividendbelasting in een apart wetsvoorstel te laten behandelen. Dat is geen nieuw idee, het dateert al van 2015. Toen was het de Eerste Kamer die aandrong om een voorstel voor een nieuwe rekenmethode voor de vermogensrendementsheffing als separaat wetvoorstel te behandelen. De initiatiefnemer van dat verzoek is interessant: ene Wopke Hoekstra, destijds senator voor het CDA, nu minister van Financiën.

  4. Begin van belastingherziening

    Los van de dividendbelasting staat het Belastingplan vol met nogal ingrijpende fiscale plannen. Het kabinet-Rutte III zal niet het gehele belastingstelsel overhoop halen, waarop al jaren door economen en adviseurs wordt aangedrongen, maar komt wel met tal van herzieningen. Indachtig de vele adviezen uit het recente verleden is hier de beweging dat de lasten op arbeid worden verlaagd (en overigens ook die op kapitaal) en die op consumptie wordt verhoogd.

    De inkomstenbelasting gaat op de schop (vier schijven worden er twee, met lagere tarieven) en er komt een versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Een andere, opnieuw veel bekritiseerde, fiscale wijziging is de verhoging van het lager btw-tarief van 6 naar 9 procent. Volgens een recent rapport van ING gaat dat ‘de consument’ volgend jaar ongeveer 300 miljoen euro kosten. Deze lastenverzwaring wordt volgens het kabinet weer gecompenseerd door tariefverlagingen bij andere belastingsoorten.

  5. De koopkracht

    Dat brengt ons bij het jaarlijkse buzzwoord rondom Prinsjesdag: de koopkracht. De tarieven, de schijven en de vele belastingkortingen en toeslagen waren in het regeerakkoord vrij nauwkeurig uitgetekend, maar de jongste berekeningen van het CPB laten de precieze effecten zien voor de portemonnee van alle Nederlanders. Dat kan aanleiding zijn voor het kabinet om links en rechts nog wat bij te stellen. De vierpartijencoalitie zal daar niet echt reden toe zien, want vrijwel alle huishoudens en bijna alle inkomensgroepen gaan er volgend jaar in koopkracht op vooruit. Nu reageerden linkse oppositieleden donderdag meteen verontwaardigd dat het weer vooral de laagste inkomens en uitkeringsgerechtigen zijn die het minst of helemaal niet profiteren van de aanhoudende economische groei. „Eén op de tien armen gaat er zelfs op achteruit”, reageerde PvdA-Kamerlid Henk Nijboer. Volgens het CPB klopt dat wel – en komt dat door het blijvend verlagen van de bijstand en de zorg- en huurtoeslag – toch is dat percentage in jaren niet zo laag geweest.

    Ook de ouderen en alleenverdieners, die in vorige kabinetten vaak flink moesten inleveren, zullen nu voor het eerst in jaren in meerderheid meer overhouden in hun portemonnee.

  6. Pensioenakkoord?

    De sociale partners zijn druk in overleg over een nieuw soort aanvullend pensioen, waar werknemers voor sparen boven op hun staatspensioen, de AOW. Het kabinet wil dat de werkgevers, vakbonden en deskundigen, die samen de Sociaal-Economische Raad (SER) vormen, zo snel mogelijk een advies uitbrengen over hoe zo’n nieuw pensioen eruit moet zien.

    Het is nog hoogst onzeker of de SER eensgezind tot een advies kan komen. Maar één ding is duidelijk: de vakbonden en werkgevers zullen zo’n nieuw pensioen alleen steunen als het kabinet de stijging van de AOW-leeftijd vertraagt. Zoals nu gepland gaat die omhoog van 66 jaar nu naar 67 in 2021. Daarna stijgt hij mee met de levensverwachting.

    Zo’n tragere leeftijdstijging kost al snel enkele miljarden euro’s. De sociale partners kunnen die hoge prijs vragen omdat het kabinet hen nodig heeft. Werknemers en werkgevers hebben de pensioenpotten zelf bij elkaar gespaard en zitten in het bestuur van pensioenfondsen.

    Als het kabinet zich kan vinden in het pensioenadvies van de sociale partners én bereid is om de hoge AOW-prijs te betalen, dan moet dat geld opzij gezet worden. Of dat nog voor Prinsjesdag lukt? De vakbeweging hoopt van wel. In het voor haar meest gunstige scenario kan zo de AOW-leeftijdsstijging van volgend jaar, naar 66 jaar en vier maanden, nog worden voorkomen.

  7. De uitgaven

    De laatste ronde in het begrotingsoverleg gaat formeel over de inkomstenkant van de Miljoenennota (belastingen, toeslagen, en dergelijke), want de afspraken over de uitgaven zijn traditioneel al dit voorjaar gemaakt. Toch zal het kabinet – en anders de oppositie wel na Prinsjesdag – nog even willen kijken naar de uitgavenkant. De CBS-cijfers van dinsdag geven aan dat het Rijk het moeilijk lijkt te hebben met het wegzetten van de miljarden die voor allerlei doelstellingen zijn uitgetrokken. De ‘consumptieve bestedingen overheid’ zijn in het tweede kwartaal van 2018 teruggevallen van 0,4 procent tot 0,2 procent. Als het de voorziene 180 miljard nog wil uitgeven zal het in de resterende maanden de bestedingen flink moeten opvoeren. Uit het maandelijkse onderzoek van NRC naar de investeringsbeloften van het kabinet blijkt dat geld laten rollen misschien nog wel lastiger is dan bezuinigen.

    Lees ook: NRC volgt dit jaar de investeringsbeloften van het kabinet. Zie ook: de Tien potjes van Rutte III

    Geld is het probleem niet, want de overheidsfinanciën zijn kerngezond. Het begrotingsoverschot is sinds vorig jaar weliswaar iets teruggevallen (tot 0,7 procent van het bruto binnenlands product dit jaar en 0,9 procent volgend jaar), er komt komend jaar nog altijd ruim 7,3 miljard meer binnen bij de schatkist dan er wordt uitgeven.

Met medewerking van Christiaan Pelgrim.
    • Philip de Witt Wijnen