Recensie

Door deze roman ga je anders naar de natuur kijken

Richard Powers

De nieuwe roman van deze Amerikaanse schrijver is een machtig en gedurfd werk, dat uitblinkt in eruditie en stilistische brille. Dankzij die eigenschappen kijk je ineens anders naar de natuurlijke wereld.

Recht tegenover mijn werkkamer, aan de overkant van het water, staat een majestueuze zilveresdoorn van meer dan twintig meter hoog en meer dan de helft zo breed van loof, uittorenend boven de huizen van vijf verdiepingen. De bladeren zijn dik, vol en talrijk, hij (m/v) ziet er uit als een monument. Hoe kan het dat deze reus bijna twee maanden van droogte overleefde zonder enig vertoon van aftakeling? Waar haalde hij al het water vandaan om zijn enorme massa te voeden? Twee straten verderop verloren platanen en linden massaal hun bladeren en schors, de straten lagen er zo vol mee dat ze periodiek moesten worden afgesloten vanwege opruimingswerk. Van andere bomen zagen de bladeren er onheilspellend geel uit, zo vroeg in de maand augustus. Dus waarom floreerde deze zilveresdoorn aan de overkant wel en andere niet?

Een van de allermooiste dingen die een boek met je kan doen is dat het je anders naar de wereld kan laten kijken. Naar de wereld van mensen, maar in dit geval naar de natuurlijke wereld. Dat is de grote verdienste van Richard Powers’ laatste boek, The Overstory (vert. Tot in de hemel). Ik weet niets van bomen, kan nog net een naald van een blad onderscheiden, voel me prettig in een bos maar alleen overdag en heb er verder geen speciale gevoelens bij. Maar wat de literaire kwaliteiten van deze roman ook mogen zijn, hij zal bij veel lezers die al dan niet lichte verschuiving in perceptie veroorzaken. Zoals Powers (1957) zijn belangrijkste personage laat opschrijven: ‘Niemand ziet bomen. We zien fruit, we zien noten, we zien hout, we zien schaduw. We zien ornamenten of mooie herfstbladeren. Obstakels op de weg of op de skihelling. Duistere, dreigende plekken die uit de weg geruimd moeten worden. We zien takken die op het punt staan ons dak te vernielen. We zien een marktgewas. Maar bomen – bomen zijn onzichtbaar.’

De vraag wordt vaak gesteld waar Powers’ oeuvre ter sprake komt: waarom is zijn werk niet bekender, waarom lijkt er altijd een aarzeling hem tot de canon van de Amerikaanse literatuur toe te laten (dat laatste is overigens maar beperkt waar: hij kreeg de National Book Award in 2006 en vergaarde ook andere, misschien als minder prestigieus beoordeelde prijzen).

Dat hij nooit tot het echt grote lezerspubliek is doorgedrongen heeft ongetwijfeld te maken met zijn onderwerpkeuze: die is nimmer losjes of lichtvoetig, dikwijls op het snijvlak van literatuur en wetenschap. Zo gaat De Echomaker (2006) grotendeels over de werking van het brein, en in het bijzonder dat van een jonge man bij wie het Capgras-syndroom is gediagnosticeerd. En Orfeo (2014) heeft als hoofdpersoon een gepensioneerde avant-garde componist met een dezer dagen verdachte hobby: hij doet onderzoek naar bacteriële DNA.

Kastanjes in Brooklyn

In het eerste deel van zijn nieuwe roman, ‘Wortels’ geheten, introduceert Powers in acht als korte verhalen geformatteerde hoofdstukken, negen personages die niets anders gemeen hebben dan dat bomen in hun leven een rol spelen. Daar is allereerst Nicholas Hoel, de jongste van een geslacht van Noorse immigranten die via Brooklyn in Iowa terechtkwamen en daar, aan de rand van de boerderij, de kastanjes lieten ontspruiten die ze uit Brooklyn hadden meegenomen. Daar blijft één boom de pest bespaard die aan het begin van de twintigste eeuw zoveel kastanjes in de VS velt, hij groeit uit tot enorme proporties en wordt door elke opvolgende familie-oudste ieder jaar gefotografeerd, ruim een eeuw lang.

Neelay Mehta, een wonderkind van Indiase afkomst, zal een fortuin verdienen met het ontwerpen van computerprogramma’s maar is levenslang verlamd door een val uit, jawel, een eik

Dan is er Douglas Pavlicek, een Amerikaanse militair die in Vietnam uit de lucht wordt geschoten maar wordt opgevangen door een banian-boom die hem het leven redt. Wanneer hij, half verlamd, terugkeert naar de VS ontdekt hij tot zijn verontwaardiging dat de bossen uit zijn jeugd zijn gekapt, op een smal cosmetisch strookje langs de snelweg na. Hij vindt werk, brengt zijn dagen door met het planten van jonge boompjes op de kaalgeslagen vlaktes maar het kappen gaat elders door. ‘Bomen vallen om met een spectaculaire dreun. Maar het aanplanten gebeurt in stilte en groei is onzichtbaar.’

Olivia Vandergriff is een wat onaangepaste studente die, na zichzelf bijna fataal geëlektrocuteerd te hebben, een plotselinge fascinatie voor de natuur ontwikkelt. Neelay Mehta, een wonderkind van Indiase afkomst, zal een fortuin verdienen met het ontwerpen van computerprogramma’s maar is levenslang verlamd door een val uit, jawel, een eik. En zo volgen er nog meer personages, schijnbaar ongerelateerd, zij het elk met een of meer bomen in hun geschiedenis. Net als je als lezer begint te denken: Powers is iets van plan, maar wat in hemelsnaam, begint het boek pas echt op gang te komen met de introductie van het achtste en voorlaatste karakter.

Patricia Westerford is een gepassioneerde plant-bioloog die losjes gebaseerd lijkt op Suzanne Simard, hoogleraar ecologie aan de Universiteit van British Columbia. Zij publiceert een artikel in een academisch tijdschrift waarvan de conclusie luidt dat ‘het biochemische gedrag van individuele bomen alleen begrepen (kan) worden als we ze zien als leden van een gemeenschap’. Ze krijgt kritiek van drie vooraanstaande geleerde collega’s en dat betekent het begin van het einde van haar academische loopbaan (saillant detail: de drie heren spreken haar aan met haar voornaam, in plaats van met haar doctorstitel). Tot er, decennia later, rehabilitatie volgt wanneer een jongere generatie onderzoekers zich op haar ontdekkingen blijkt te baseren.

Geradicaliseerde activisten

Ze legt haar ideeën en bevindingen vast in een boek waarvan de openingsalinea luidt: ‘Jij en de boom in je achtertuin delen een gemeenschappelijke voorouder. Anderhalf miljard jaar geleden zijn jullie wegen gescheiden. Maar zelfs nu nog, na een immense reis in verschillende richtingen, delen die boom en jij een kwart van je genen….’ Een boeiend en provocerend statement, en wanneer ze haar bevindingen blijft verdedigen is er ook altijd tegenspraak (zoals het hoort overigens, in de academische wereld). Bomen communiceren met elkaar, waarschuwen elkaar voor gevaar, delen hun voedingsstoffen, zenden signalen uit die door andere bomen worden ontvangen. Onzin, zeggen haar tegenstanders, ‘zelfs als een boodschap op een of andere manier “ontvangen” wordt impliceert dat op geen enkele manier dat zo’n boodschap ook “verzonden” is.’ En bovendien ergert men zich aan het antropomorfiseren van niet-menselijke wezens door het gebruik van bovengenoemde werkwoorden.

Als we onverschillig waren als een inktvis zag de wereld er heel anders uit, schrijft de Britse filosoof Timothy Morton. Wanneer we ons anders zouden verhouden tot natuur dan volgt een minder exploiterende levenswijze vanzelf. Lees ook: Wees onverschillig als een inktvis

In de volgende delen convergeren de levens van al deze en de andere in het eerste deel geïntroduceerde personages op een of andere wijze. Nicholas en Olivia sluiten zich aan bij een activistische groepering die zich verzet tegen de massale houtkap die in het Amerikaanse Noordwesten plaatsvindt, ze brengen tien maanden door op een geïmproviseerd platform in een van de hoogste red-woods, zestig meter boven de grond. De beweging radicaliseert, heftige confrontaties volgen, er wordt een aanslag gepleegd, er valt een dode, de FBI arresteert een van de samenzweerders.

Het boek kent iets te veel ‘Hallelujah’-momenten, wanneer Powers’ hoofdpersonen kennismaken met Westerfords ideeëngoed en ook de sympathie van de auteur ligt overduidelijk aan haar kant. Het gaat er in een roman niet om of de auteur zijn ‘gelijk’ krijgt, ook dit boek valt heel goed te lezen door hen die zich zorgen maken over de verdwijning van de bossen (en de gevolgen voor klimaat, erosie, biodiversiteit), maar ze zullen fronsen bij passages waarin wordt geconcludeerd dat bomen voor elkaar zorgen, zich dingen herinneren, leren, hun nageslacht voeden en waarschuwen voor gevaar. Voor dit alles is hersenactiviteit nodig, en je kunt bomen veel eigenschappen toeschrijven, maar het gebruik van hersens? De lezer hoeft hier geen partij te kiezen, maar wat romantechnisch wel als verwijt gemaakt kan worden, meer dan dat Powers vrij ondubbelzinnig partij kiest voor Westerford c.s., is dat hij in zijn argumentatie (die grotendeels aan het werk van Simard en Peter Wohlleben ontleend lijkt, zie de TED-talks van eerstgenoemde op YouTube) het punt van drammerige herhaling gevaarlijk nadert.

Gedurfd werk

Er zijn andere bezwaren. Te veel personages dus, die (te) vaak op een wat kunstmatige manier met het centrale thema verweven moeten worden. Powers zou er goed aan gedaan hebben tenminste een of twee van die lijnen te schrappen (maar dan zouden nu juist de hoofdpersonen met misschien de meeste literaire potentie geofferd moeten worden).

De auteur vergeet zichzelf en zijn stilistische gaven vooral in de reportage-achtige passages (wanneer de activisten en handhavers botsen). Natuurlijk is het geen bezwaar als een boek reportage-elementen bevat, maar toch is het in deze passages, en daarbovenop in de wat naar pamflettisme neigende pagina’s, dat je wenst dat de auteur zijn adhesie wat getemperd had. Ook enkele dialogen zijn zo specialistisch dat ze eigenlijk geen plaats zouden moeten hebben in een roman.

Dat zijn nogal wat bezwaren, die hier en daar zelfs irritatie oproepen. Maar onder de streep blijft Tot in de hemel een machtig en gedurfd werk van iemand die, misschien meer nog dan in zijn vroegere boeken, een verbluffende eruditie tentoonspreidt, en op de beste momenten getuigt van een stilistische brille en een bewonderenswaardig vermogen om je intellectueel uit te dagen.

Richard Powers is nog springlevend, maar ooit zal hij in de literaire hemel onherroepelijk J.C. Bloem ontmoeten, die hem dan beslist deelgenoot zal maken van zijn credo dat ‘natuur is voor tevredenen of legen’. Van de knetterende discussie die daarop gaat volgen zou ik wel getuige willen zijn.

    • Jan Donkers