Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Rattenvanger

Omdat ons huis grenst aan een schoolplein krijgen we geregeld ‘plassers’ aan de deur, kinderen uit de nieuwbouw aan de andere kant van het dorp die het niet meer houden en te fatsoenlijk zijn om in hun broek te plassen. Er zitten er tussen die ongevraagd achter ons aanlopen als wij in gezinsverband een activiteit ondernemen.

Zo kwam het dat we onszelf zondagmiddag terugvonden aan het hoofd van een stoet van zes. We trokken naar de kinderboerderij, de dichtstbijzijnde plek met een schommel. De vriendin was er een keer eerder geweest en wist al bij voorbaat dat ik het er waarschijnlijk niet veel soeps zou vinden.

Nou, dat klopte.

De kinderboerderij bleek een houten hut tussen twee naar poep stinkende veldjes achter hekken met speeltoestellen, waar behalve dertig kinderen een achter de oren bloedend varken, een zwerfhond, ontelbaar veel kippen en twee vrijwilligers uit het dorp rondliepen van wie de een was belast met het opruimen van vuiligheid en de ander de ehbo en de ijsverkoop deed.

Het meest onder de indruk was ik van de ouders, de meesten lagen onderuitgezakt naar hun telefoon te staren. In Amsterdam – dat was dan weer het andere uiterste – was ik gewend geraakt aan meespelende vaders en ‘pas op!’ roepende moeders. Daar was ik toen niet enthousiast over, maar hier liep alles letterlijk in de prut.

De andere vaders hadden de armen blauw getatoeëerd, de vrouw naast me op een van de bankjes beklaagde zich telefonisch over haar man die even verderop met ontbloot bovenlijf schuddend zat te luisteren naar muziek. Sinds hij hormonen slikte was hij zo agressief.

Iedereen rookte. Naast de zandbak stond een met zand gevulde plastic vrachtwagen die dienstdeed als asbak.

We waren de enige twee die nog wat deden met hun kinderen, toen buurtkinderen onze jongste aan het bloedende varken wilden voeren was ik bijvoorbeeld snel ter plaatse om in te grijpen.

Bij het weggaan maakte ik de fout door veel te hard ‘Wie wil er een ijsje?’ te roepen.

Ik bestelde zeven raketjes bij de uitgebluste vrijwilligster die bij het afrekenen zei dat ze geen biljetten van twintig euro mocht aannemen en dat je er ook niet kon pinnen.

„En nu?” vroeg een vader aan wiens zoontje ik per ongeluk ook een ijsje had beloofd. „Naar de snackbar?”

Wij wandelen.

Toen ik achter me keek telde ik zeven kinderen, een van spiermassa uit zijn T-shirt barstende vader, een moeder met een spraakgebrek en een hond. Het deed denken aan het sprookje van de rattenvanger dat ik een dag eerder nog had voorgelezen, alleen ging de tocht niet door Hamelen maar naar snackbar Smulhoek.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen