Opinie

    • Floor Rusman

Lege kerkjes hebben ons iets te zeggen

De zanger van Brian Jonestown Massacre droeg maandagavond in Paradiso, het poppodium in een voormalige kerk, een shirt met de tekst ‘Eat Shit’. Niet erg heilig, net zomin als de door zes gitaren geproduceerde geluidsmuur waarmee de band het optreden afsloot. Toch voelde het logisch en prachtig dat dit concert plaatsvond in een kerk.

Waarom vond ik het dan tegelijk zo treurig om de column van René Cuperus te lezen, vorige week in de Volkskrant, over de kerken die verkocht of afgebroken worden wegens het gelovigentekort?

Misschien kwam het door alle kerkjes die ik deze zomer zag op het Franse en Italiaanse platteland, zonder uitzondering zowel schitterend als verlaten.

In het twaalfde-eeuwse kerkje van Ozenay vlogen zwaluwen af en aan: ze hadden een nestje gebouwd achter het altaar. Het hout oogde stoffig, het pleisterwerk was hier en daar naar beneden gekruimeld.

Het kerkje van Castell’Alfero was van een ander kaliber, aan alle kanten volgestopt met goud, maar even uitgestorven en rommelig: schilderijtjes hingen lukraak aan de muur, in de biechtstoel lag een bende papieren. Ook hier geen voetstappen of gebeden, alleen het waanzinnige geluid van tsjirpende cicaden.

Wat zoekt een ongelovige in al die kerkjes? Het heeft te maken met schoonheid natuurlijk, maar het is meer dan dat. Ik vind er ook verbondenheid met wie er al die eeuwen eerder zijn geweest en met de mensen die het hebben gebouwd en onderhouden, mensen die iets wilden maken dat henzelf oversteeg.

We leven in een tijd waarin niets meer heilig is: wantrouw autoriteit, Eat Shit, laat de gitaren brullen, als het even kan in een kerk. Maar als ik zie hoe mensen zichzelf als de vanzelfsprekende maat der dingen nemen, inclusief ikzelf soms, denk ik: waar is onze compassie gebleven en ons gevoel van nietigheid?

De Poolse dichteres Wislawa Szymborska beschrijft in ‘Een van zeer vele’ hoe ze net zo goed iets of iemand anders had kunnen zijn: „Ik ben wie ik ben / Een toeval onbevattelijk / als elk toeval.” Toch vindt iedereen zijn eigen positie volstrekt logisch: „Elk kostuum zit meteen als gegoten / en wordt gehoorzaam gedragen / tot het is versleten.”

Zelfrelativering is lastig voor ongelovigen: het inzicht dat wij ook maar een toevallig mensje zijn, een van zeer velen, en dat het leven voor een groot deel afhangt van willekeur.

Voor dat inzicht heb je religie niet nodig, we hebben altijd de poëzie nog en de muziek niet te vergeten. Toch voelde ik deze zomer dankbaarheid: voor de mensen die al die kerken hebben gebouwd, en voor hen die ze niet hebben afgebroken.

Floor Rusman (f.rusman@nrc.nl) schrijft deze weken de wisselcolumn met Jannetje Koelewijn.
    • Floor Rusman