Een trofee en een viool vertellen het kampverhaal

Nederlands-Indië 73 jaar geleden capituleerde Japan. Het Museon in Den Haag roept op om memorabilia uit Japanse interneringskampen in Indië vooral niet weg te gooien. Ook als ze onbelangrijk lijken.

Een vetlapdoosje, gegraveerd door een geïnterneerde. Foto’s Museon, Daniel Niessen

In de hal van het Museon in Den Haag staat, tegenover de kassa, een vitrine vol trofeeën. Zo’n vitrine die je in elke sportkantine kunt tegenkomen, met kleine en grote zilveren bekers. Bekers van golftoernooien zijn het.

Ze vallen op in dit museum, dat veel mensen zullen kennen door de populair-wetenschappelijke tentoonstellingen. Nu is er een bijenexpositie, iets met ridders en de middeleeuwen, en er komt een tentoonstelling over de ruimte. In het trapgat hangen opgezette vogels, en er is een zaal over de VN-klimaatdoelen.

Minder zichtbaar is waar die golftrofeeën op slaan: het Museon beheert de grootste collectie memorabilia uit de internerings- en krijgsgevangenenkampen die er tijdens de Tweede Wereldoorlog waren in Zuidoost-Azië en specifiek in het toenmalige Nederlands-Indië. Deze 15 augustus – de dag waarop de Japanse capitulatie plaatsvond waarmee een einde kwam aan de oorlog – roept het museum, samen met andere herdenkingsmusea, op spullen van toen vooral niet weg te gooien en langs te komen.

Niets is te onbelangrijk, vertelt conservator Frits van Rhijn. Hij laat een oranje dopje van een zaklamp zien. Frieda Baudet-Smits kreeg het als vijfjarige kleuter cadeau van een matroos aan boord van een boot van Batavia naar Ceylon toen ze werd gerepatrieerd. „Door tastbaar te maken, kunnen we het verhaal van de oorlog doorvertellen”, zegt Van Rhijn.

De golftrofeeën zijn ook geen ‘gewone’ bekers. „Men nam ze mee het kamp in. Je mocht niet al te veel barang (persoonlijke spullen) hebben en toch maakten mensen ruimte in hun koffertje voor zo’n bekertje. Om de herinnering aan de tijd vóór de bezetting levend te houden”, vertelt Van Rhijn. „Nog bijzonderder”, vindt hij, is dat de zilveren bekers tijdens de kamptijd, toen er schaarste aan alles was, niet zijn geruild voor voedsel.

Ook kunst was een manier om te ontsnappen aan de tragiek van dagelijkse kampleven. Het Museon beheert bijna vierduizend tekeningen, onder meer van (schoolboek)illustrator Johan Gabriëlse en reclametekenaar Charles Burki. Er zijn broches, borduurwerken, aluminium vetlapdoosjes waarin de eigenaren tekeningen krasten – in die doosjes zat het schoonmaakgerei voor een vuurwapen.

Een van de meest bijzondere voorwerpen, ook door het verhaal, vindt conservator Van Rhijn de viool van kapitein Leonardus Reinders. Na de Japanse bezetting werd hij geïnterneerd en in 1943 op transport gesteld naar Tochan Central, waar hij aan de Birma-spoorlijn te werk werd gesteld. Uiteindelijk belandde Reinders in kamp Changi in Singapore, waar hij de viool maakte. Uit een medicijnkist, een tafelpoot, een plank hardhout, stukjes van een doedelzak, gesloopt lichtdraad, lijnolie en schoensmeer. Reinders trad ermee op voor kampgenoten en na de capitulatie voor een uitzending van Radio Singapore voor Java. „Zijn echtgenote hoorde die uitzending en wist daardoor dat hij nog leefde”, vertelt Van Rhijn.

De collectie ontstond in de jaren zeventig, toen P.M. Adriaanse een reizende tentoonstelling organiseerde van tekeningen uit de kampen. Die werden na afloop ondergebracht bij de voorloper van het Museon. De komende jaren hoopt Van Rhijn weer een tentoonstelling te organiseren.

En hoewel de collectie van het Museon al groot is, zoekt Van Rhijn altijd naar meer relicten. Met name naar memorabilia van buitenkampers, de ongeveer 250.000 Nederlanders van gemengd bloed die buiten de interneringskampen bleven en daar te maken kregen met de bezetter, en naar spullen uit de periode van ‘Bersiap’, de eerste bloedige maanden van de onafhankelijkheidsstrijd, toen Nederlanders in de Japanse kampen bleven en werden beschermd door hun voormalige kampbewaarders. „Uit die tijd is helaas weinig materiaal bekend”, zegt Van Rhijn.

    • Titia Ketelaar