Opinie

    • Maxim Februari

Vrolijkheid vereist meer talent dan ernst

Politiek, wereldnieuws, allemaal goed en wel, natuurlijk, maar af en toe moet je ook aandacht hebben voor de diepere lagen en daarom gaan we het nu hebben over het gewijde onderwerp van de zijden sjaals. En dan vooral omdat ik een boek zit te lezen over de twintigste-eeuwse schilder Raoul Dufy, die in het leven niets anders schilderde dan zeilregatta’s, opera’s, volbloedpaarden en stoffen voor zijden sjaals. Een en al lichtheid en schoonheid en ballet.

Het kunstboek doet daar een beetje verontschuldigend over. Alsof het niet helemaal netjes is. Lichtheid in onze sombere wereld. En ik – nee, ik moet toegeven, als ik ’s morgens wakker word denk ik inderdaad ook niet allereerst aan zijden sjaals. En als ik er al aan denk, dan realiseer ik me dat ik ze uiteindelijk naar de textielbak zal moeten brengen; er zijn van die dagen dat ik bang ben straks bij mijn dood niet veel anders geproduceerd te hebben dan afval. In mijn somberste buien vrees ik zelfs dat de mens onder toekomstige diersoorten bekend zal staan als een rotzooiproducerende zijtak van de evolutie, een verontreinigende aberratie.

In de hoop wat lichter te worden, bracht ik vorige week mijn afval weg naar de milieustraat. Deemoedig liep ik over het terrein met een halfvol zakje vuilnis, dat ik in de loop van weken had opgespaard en dat was gaan koken in de hitte. Bij een loket aangekomen vroeg ik of ik het op een berg mocht gooien. De man achter het raam keek me vorsend aan. „Nou goed”, zei hij. „Je moet geen boeman willen wezen. Gooi het er maar op.”

Hij draaide zich naar zijn collega om zijn beslissing uit te leggen. „Je moet geen boeman willen wezen.” De collega beaamde het. „Nee, je moet geen boeman willen wezen.” Hun ogen werden vochtig van de zelfvertedering. En terwijl ik weg sjokte met mijn zakje, hoorde ik ze achter mijn rug nog zeggen: „Je moet geen…” Ik begreep dat ik verdraaide veel geluk had gehad dat ik mijn vuilnis op een vuilnisbelt mocht gooien.

Vrolijkheid, dus, want daar hadden we het over. Het kunstboek over Raoul Dufy denkt dat vrolijkheid en luchtigheid moeilijker zijn te bereiken dan zwaarte. De twintigste-eeuwse acteur Sacha Guitry heeft zoiets gezegd. „Je kunt wel veinzen serieus te zijn, maar je kunt niet veinzen geestig te zijn. Voor geestigheid is talent nodig.” Het pleit voor Dufy en zijn etherische schilderijen. Vallen behoort tot de natuur en gebeurt vanzelf. Voor opstijgen is energie nodig.

Zo bezien is het opmerkelijk wat een geestelijke onlangs op de televisie zei over Jezus. Dat die nooit heeft gelachen. De man grinnikte er een beetje besmuikt om, alsof het een rare karaktereigenschap was van Jezus, die we hem niet al te hard moesten aanwrijven. Maar als vrolijkheid inderdaad meer talent vergt dan ernst, dan is het wel degelijk een theologisch probleem dat Jezus nooit heeft gelachen; het ontneemt hem zijn volle humaniteit, zeggen de theologen. Om er haastig aan toe te voegen dat hij dus natuurlijk wel heeft gelachen. Het moet wel, het kan niet anders.

Ik zou er de Bijbel op moeten naslaan, besef ik, maar mijn nieuwe leesbril begeeft het. En als ik zonder leesbril de was probeer te strijken, verbrand ik mijn overhemd. En als ik het overhemd in de textielbak gooi, ben ik kwijt wat ik ook alweer aan het doen was op deze wereld. Er zat iets in het vooruitzicht van een nieuw seizoen dat me aanzette tot bespiegelingen over vrolijkheid en lachen, maar zonder leesbril valt dat moeilijk te achterhalen. Ik frons zo diep mogelijk, en tuur met half dichtgeknepen ogen naar een paar verspreide bijbelteksten op mijn scherm.

„Zalig gij die nu weent, want gij zult lachen.” De geleerden wijzen erop om te laten zien wat een vrolijk boek het toch is, de Bijbel. „Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen.” Verblijd je erom en wees vrolijk. Later zul je er lol van hebben.

Ik span me tot het uiterste in en kan met één oog nog net lezen wat een vrouwelijke dominee uit de Verenigde Staten eraan toevoegt. „Keith en ik hebben geleerd vervuld van vreugde te raken, hoe meer de dingen mis gaan! We hebben drie overstromingen gehad en een belastinginspectie en een vrolijke lachbui, omdat we wisten dat de zegeningen er aan zaten te komen.”

Ik gooi mijn nieuwe bril in de glasbak en besef dat het niks meer wordt met lezen en schrijven, vandaag. Papieren en kranten kan ik maar het best naar de papierbak in de kelder brengen. Met een beetje geluk val ik van de keldertrap, zucht ik: ik ben slechts één beenbreuk verwijderd van een leven vol lichtheid, opera, zeiljachten en zijden sjaals.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari