Opinie

Ook Nederlandse soldaten in foute missies verdienen waardering

Het Indië-monument voor Nederlandse soldaten is heilig, ook al was de missie fout, aldus .

De jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst bij het Nationaal Indië-monument. Foto Marcel van Hoorn/ANP

Maandag hield de woordvoerder van de anti-fascistenbond, Arthur Graaff, een pleidooi voor het beëindigen van de herdenking bij het Indië-monument in Roermond. De gruwelijkheden, waarbij duizenden Nederlanders en andere etnische minderheden door Indonesiërs werden gemarteld en uitgemoord, bleven onbesproken.

In 1945 stuurde de regering, met parlementaire steun en gedragen door een meerderheid van de bevolking, een troepenmacht naar het voormalige Nederlands-Indië. Herstel van het gezag was het doel. Volgens de grondwet konden dienstplichtigen alleen op vrijwillige basis worden uitgezonden, maar de regering trok zich daar niets van aan. De dienstplichtigen, die in mei 1945 voor hun eerste oefening werden opgeroepen, vertrokken na slechts vier maanden opleiding. Regering en legerleiding deden voorkomen alsof deze soldaten als ‘bevrijders’ zouden worden onthaald. Zij hadden een totaal verkeerd beeld van de situatie ter plekke. De Eerste Divisie ‘7 december’ die in september 1946 werd uitgezonden, was ongeschikt voor een guerrilla-oorlog. In de periode 1945-1949 werden 120.000 militairen van de Koninklijke Landmacht ingezet, waarvan 100.000 dienstplichtig. Omdat demobilisatie werd uitgesteld deden sommige dienstplichtigen bijna drie jaar dienst in de dekolonisatiestrijd.

Terug in Nederland kregen zij een kille ontvangst. Het gevoel te zijn ingezet voor een verloren strijd overheerste bij de militairen. Circa 6.000 omgekomen militairen werden in Indonesië begraven. Repatriëring van het stoffelijk overschot moest de familie zelf betalen. Na afloop van de dekolonisatiestrijd ging de regering over tot de orde van de dag. Een jaarlijkse herdenking of een monument was niet aan de orde. De regering weigerde zelfs de gesneuvelden op 4 mei te herdenken. Volgens minister-president Drees was deze bijeenkomst alleen voor WOII-gevallenen. De dekolonisatieperiode wilde men afsluiten en uit het collectieve geheugen wissen.

Het Indië-monument in Roermond was een particulier initiatief. In 1988 werd het monument door prins Bernhard onthuld. Hiermee kregen de nabestaanden en de oud-Indië-militairen voor het eerst een tastbare plek waar zij hun dierbaren konden gedenken.

Vanaf toen besefte ook de regering dat zij ernstig in gebreke was gebleven. Zowel tegenover de nabestaanden als de honderdduizenden militairen die met een onmogelijke taak waren opgescheept en hun jeugd en hun toekomst in Indië zagen verdampen.

Niemand zal ontkennen dat er destijds misdaden zijn begaan door militairen. Tal van onderzoeken tonen dit aan. Maar om alle 120.000 militairen over een kam te scheren en te pleiten voor beëindiging van de herdenking is respectloos tegenover de nabestaanden en tegenover de nog kleine groep overlevenden die naar eer en geweten hun plicht in het voormalige Nederlands-Indië hebben vervuld.

De geschiedenis laat zien dat regering en samenleving meer waardering hebben voor militairen als deze een zinvolle en succesvolle missie hebben vervuld. De recente geschiedenis, die van de missie naar Srebrenica, toonde dat nog eens aan. Dat onderscheid is onterecht. In Nederland worden militairen door de regering ingezet met instemming van het parlement. Die verantwoordelijkheid geldt voor ‘goede’ en ‘foute’ missies. Het is dan ook de plicht van de regering om ook de omgekomen militairen in Nederlands-Indië te blijven herdenken.