Recensie

Anti-film van vijftig jaar geleden was voorbode van YouTube

Beeldende kunst

Amerikaanse kunstenaars zagen het een halve eeuw geleden al: informatie is macht. Ze wilden de macht van televisiebedrijven doorbreken. Dat lukte maar half, toont een tentoonstelling in West in Den Haag.

Radical Software was van 1970 tot 1974 een theoretisch blad over tv en informatie. Film en tijdschrift staan centraal op de tentoonstelling in Den Haag. Foto West Den Haag

De uitvinding van de eeuw. Zo moet het ongeveer gevoeld hebben toen eind jaren zestig een handcamera op de markt kwam: een filmcamera die elke sterveling kon hanteren. Daarmee moest het monopolie van de grote televisiebedrijven te doorbreken zijn, bedacht een groep Amerikaanse kunstenaars die al die sitcoms en talkshows maar gezapig vonden. Dus gingen ze filmen. En filmen. En filmen. Lang voor YouTube begonnen ze zo hun eigen filmkanaal.

De groep heette Raindance en bestond uit Frank Gillette, Paul Ryan, Michael Shamberg – die een grote Hollywoodproducent werd – en Beryl Korot en Ira Schneider. Die laatste twee gaven van 1970 tot 1974 Radical Software uit, een theoretisch blad over tv en informatie. Film en tijdschrift staan centraal in een tentoonstelling in galerie West in Den Haag. Neem boterhammen mee, je kunt er een dag voor uittrekken.

Dagvullende films

Dat tergend lange filmmateriaal – want hoezo montage? – is dagvullend als de performancekunst van die dagen. Het lijkt de spot te drijven met conventies van reguliere tv die volgens de kunstenaars vooral diende om reclameboodschappen in te masseren. Een vierluik van monitoren toont enkel wuivende boomtoppen, een ander scherm toont het kantoor van de Raindance Foundation waar mensen heen en weer lopen zonder dat er veel gebeurt. Het lijkt zowel spot als een voorbode op deze tijd, waarin webcams maar draaien en draaien zonder plot.

Dit soort anti-entertainment tv is lang, veel, gruizig, kunstzinnig, soms met stroboscopische effecten, of juist met straatinterviews. Toch voelt deze experimentele anti-film aardig vertrouwd aan. Want veel van die interviewtechnieken, handicam-esthetiek, tombola-achtige sequenties zijn gemeengoed geworden. Eerst in de onafhankelijke film, door Raindance gestimuleerd, inmiddels toch ook op Netflix.

Het meest indrukwekkend is het vierluik Dachau 1974 van Beryl Korot. Vier beeldschermen tonen, telkens met vertraging, als een haperende herinnering, dezelfde beelden van bezoekers die door het vroegere concentratiekamp lopen. Het gaat over ruimte, het wordt abstract. Nee, film kan de werkelijkheid niet vangen, weet je door deze steriele film. Het maakt hooguit omtrekkende bewegingen. Ook dat vertelt deze generatie videokunst: dat beelden geen registraties van de werkelijkheid zijn, maar ook als het tegendeel daarvan, namelijk manipulatie, bedrog, kunst.

Sociale experimenten

Uiteindelijk is video natuurlijk allebei. Én registratie, én bedrog. Dat blijkt het scherpst in de sociale experimenten die ze deden en die zo typisch bij de jaren zeventig lijken te horen. Zoals de film waarvoor vier mensen in vier kamerhoeken zaten en enkel met elkaar mochten communiceren via vier camera’s. Zoeken mensen dan juist nadrukkelijker contact, of gaan ze vooral poseren omdat een camera op ze gericht staat? Die vraag is natuurlijk volop actueel: vandaag communiceert iedereen via schermen. Dat maakt deze tentoonstelling een wonderlijke tijdmachine. Deze videokunstenaars voorspelden een gemediatiseerde toekomst die ze, door hun eigen experimenten, mede gevormd hebben.

Maar nog altijd zijn het grote mediabedrijven die bepalen wie wat waar te zien krijgt, zelfs nu we onszelf actief filmen in hoeken van kamers en daarbij poseren. En die wetenschap maakt deze tentoonstelling, behalve zeer vooruitziend, ook een tikje naïef.

    • Sandra Smets