Impulsief en agressief, of alleen ‘wat radicaal’

Wie: Bert

Kwestie: Mishandeling, bedreiging, vernieling, heling, bezit alarmpistool

Waar: Rechtbank Noord-Holland

Van Bert moeten we een paar dingen weten: hij verzamelt al 32 jaar strafbare feiten, vooral geweld, gebruikt drugs, is arbeidsongeschikt, heeft twee vriendinnen – zijn moeder én stiefdochter – is opvliegend en zeer goed van de tongriem gesneden, zij het met een beperkte woordkeus. Dat houdt volgens Bert verband met het Volendammer-zijn, waarin hij zeer vloeiend een ander de tyfus kan wensen. Hij geeft even een voorbeeldtirade, die de rechter geamuseerd over zich heen laat komen. Maar buiten dat idioom schiet Bert tekort, vindt hij ook zelf. Als het onderwerp ‘gedragstherapie’ aan de orde komt meldt hij taal aan als verbeterpunt. Meer woorden kennen en gebruiken, dat zou hij graag willen.

Wat op zichzelf een pluspunt is, dat Bert iets wil, want tot voor kort zag de reclassering eigenlijk niks meer in ’m. Over de psycholoog die Bert trof is hij echter enthousiast. Alles wat die man opschreef is waar, zegt hij. „Ik zou het graag met m’n kinderen bespreken.” De man moet „wel twintig uur” aan hem hebben besteed, zegt hij trots. Het woord ‘antisociale persoonlijkheidsstoornis’ moet hem worden uitgelegd. Hij is verbaasd. „Ik spreek juist graag met iedereen.” Houdt hij zich niet aan wat sociaal gebruikelijk is? Vreemd, voor oude mensen gaat hij altijd staan – z’n kinderen voedde hij streng op.

Impulsief en prikkelbaar? „Ja, als je over m’n kinderen begint.” Dan kan hij „debiel kwaad” worden. Het ontbreken van berouw? Oké, dat klopt. Hij begaat immers nooit zonden, dus dan is berouw ook overbodig. Hij heeft geen vaste baan, maar werkt ‘in het milieu’ als chauffeur. Het ‘halen en brengen van meisjes’ en dan ook een beetje opletten. Dat is nachtwerk en om dan een beetje scherp te blijven gebruikt hij cocaïne. Wordt het bedtijd dan rookt hij twee joints, „om m’n gedachten stil te krijgen”.

Bert komt als ‘licht verminderd toerekeningsvatbaar’ uit het onderzoek, met een beperkt vermogen om goed en fout te onderscheiden en de neiging snel voor eigen rechter te spelen. „Ja, ik ben wat radicaal”, geeft hij toe. Maar agressief? Misschien komt dat zo over; Bert heeft de neiging bij opwinding met z’n handen te zwaaien.

De zitting draait onder meer om vernieling van de autoruit van z’n buurman met een boomstam, het herhaaldelijk tegen de autostoel beuken van het hoofd van zijn dochter onder de uitroep „waar is-ie, waar is-ie” en een incident thuis, waarin een „zeer gezellige borrel” plotseling uitliep op slaan en schoppen. De stemming op de zitting dreigt ook een paar keer om te slaan. Als Bert zich opwindt, over de politie die hem „altijd” met getrokken pistool benadert, over de bejegening van zijn stiefdochter (door de politie), over zijn vriend die hem stiekem GHB moet hebben gegeven, over het OM dat „alleen maar” eenzijdig onderzoek doet.

Tegenover hem staat een wat stijve officier die iedere belediging hoog opneemt, wat Bert nog bozer maakt. En een kalme rechtbankvoorzitter die hem met lichte hand door zijn opvliegingen heen loodst. Hij vraagt een onderbreking van de zitting – „ik moet pissen als een stier” – en keert opgelucht terug. Bij de sluiting zegt Bert tegen de strafrechters „Hartstikke dank u wel voor uw tijd” en omhelst nog gauw even z’n stiefdochter, innig.

Op de zitting werd dan al duidelijk dat Bert in het Huis van Bewaring geen medicatie meer krijgt. Terwijl hij juist dankzij het antipsychoticum weer sliep en wat meer zelfcontrole heeft. Zijn linkerpols zit in het gips, rechts is een vinger gebroken. „Probeer dan je reet maar eens af te vegen.” Het is gebeurd in detentie; Bert heeft artrose en zou makkelijk botten breken. Naar het ziekenhuis kan hij echter niet, want handboeien passen nu niet. De officier eist twaalf maanden cel, waarvan vier voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaar en meedoen aan de gedragstherapie die de reclassering voorstelt. De rechtbank spreekt hem twee weken later vrij van heling en mishandeling en acht de overige feiten bewezen. Hij krijgt acht maanden cel en moet daarna in therapie voor zijn persoonlijkheidsstoornis, met een proeftijd van twee jaar.

    • Folkert Jensma