Opinie

    • Frits Abrahams

‘Grüezi mitenand’

Mijn vorige bezoek aan Zwitserland was alweer zo lang geleden dat ik de bewoners nu niet goed kon verstaan als ze ons op straat groetten – wat ze daar eerder lijken te doen dan in ons gereserveerde landje. Het klonk een beetje als het Zuid-Duitse en Oostenrijkse ‘Grüss Gott’, maar het was toch duidelijk iets anders. Lastig, want je kunt zo’n vriendelijk iemand moeilijk staande houden met de vraag: „Wat zegt u nu eigenlijk?”

Pas na enkele dagen goed liplezen wisten we wat we hoorden: „Grüezi”. Daarmee waren we er niet, want sommigen brabbelden er nog iets achteraan. Alweer leek het op iets Duits, namelijk ‘miteinander’ (‘samen’) , maar toch was het niet hetzelfde, het bleek ‘mitenand’ te zijn. Zo werden we op den duur ook zelf geroutineerde „Grüezi mitenand”-zeggers, al merkte ik iets te laat dat je het alleen tegen menselijke paren moet zeggen, niet tegen een dame of heer met een hondje.

De taal plaatste ons voor nog een ander raadsel, maar daar konden de Zwitsers niets aan doen. Al in Basel, waar we onze tocht begonnen, zagen we overal mensen met opvallende tatoeages. Dat is niets bijzonders meer, het hoort overal bij het straatbeeld.

Wel vond ik het eigenaardig dat uitgerekend een fraaie stad als Basel met schitterende musea (vooral de schilderijencollectie van het Kunstmuseum is imponerend) een jaarlijks Tattoo Festival met deelnemers uit de hele wereld hield. Vlakbij ons hotel werden de voorbereidingen getroffen: er verrezen hoge tribunes en er schalde luide muziek.

Een internationaal festival met een competitie voor mensen met de origineelste tatoeages – het leek me een bizarre aangelegenheid. Ik zei dat voorzichtig tegen onze hotelreceptioniste. „Maar meneer,” reageerde ze licht ontsteld, „het gaat om een muzikale taptoe, niet om tatoeages.” Mijn fixatie op tatoeages had me het zicht op die andere betekenis van het woord ‘tattoo’ benomen.

Geen reis, hoe dichtbij ook, zonder vergissingen. In de tram zochten we vertwijfeld naar een stempelautomaat voor onze kaartjes. „Die staat altijd buiten”, zei de bestuurster, en ze wees naar een pleintje. „Dáár moet u stempelen, ik wacht tot u terug bent.” Het was in hartje Zürich tijdens de avondspits. We renden naar de automaat, tientallen meters verderop, maar konden zo snel niet de goede stempelplek vinden. De bestuurster verscheen in de deuropening van haar volle tram. „Aan de achterkant!”, riep ze. Ze wachtte geduldig tot we het gevonden hadden en hijgend de terugtocht hadden voltooid. ‘Mijn’ Amsterdamse trambestuurders zullen deze anekdote niet willen geloven.

Zwitserland kon helaas niet verhinderen dat de zon er even onbarmhartig scheen als in Nederland. We waren niet alleen gekomen voor de mooie steden, we wilden ook graag wandelen rond het Vierwoudstrekenmeer bij Küssnacht. Het is een van de mooiste plekken op aarde, maar je kon er nu beter zwemmen dan wandelen.

Na de eerste wandeling zei ik, ganz verschwitzt, tegen mijn vrouw: „Ik zie een Zwitsers krantenbericht voor me. ‘Bejaard echtpaar uit Nederland dood aangetroffen op bergweide, hun lichamen al verkoold door de zon. Een schaapherder had hen enkele uren eerder nog gezien. „Grüezi mitenand”, hadden ze nog tegen hem gefluisterd.’

    • Frits Abrahams