De papieren cowboy

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: De ruwe bolster is het favoriete Amerikaanse alter ego.
Illustratie Eliane Gerrits

Het cowboypak is het favoriete verkleedkostuum van de Amerikaan. Ik krijg elke zomer foto’s opgestuurd van buurtgenoten op vakantie in het Wilde Westen vermomd als Lucky Luke. Hun driedelig pak verruild voor een leren jack en de gaatjesschoenen voor stoere designerlaarzen. In plaats van hun BMW rijden ze in een pick-uptruck of, nog liever, op een rodeopaard. Onder de wijde hemel voelen ze zich een cowboy in het diepst van hun gedachten. De goudeerlijke held in een stoffig pioniersstadje, die na een paar rake klappen te hebben uitgedeeld, de saloon uitloopt, zijn pistool losjes op de heup, om boeven te vangen en dames in nood te redden.

Maar de cowboy met zijn idyllische leven in Marlboro Country heeft nooit bestaan. Hij is een illusie. Net zoals de bordkartonnen façade in een goedkope western, is de mythe van het Wilde Westen een geconstrueerde werkelijkheid. Geboren uit de verbeelding van een schrijver.

Owen Wister kwam in 1860 ter wereld in een voorstad van Philadelphia in een zeer gefortuneerd gezin. Hij studeerde in Harvard en aan het conservatorium van Parijs. Hij werkte een tijd als advocaat, wat hem niet erg begeesterde. Zijn zomers bracht hij door in het Westen, waar hij genoot van jagen en vissen in de ruige natuur.

Maar zijn hart lag bij schrijven. In 1902 verscheen zijn boek The Virginian, waarin hij het archetype van de cowboy als natuurmens creëerde. Het werd een ongekende bestseller. Mensen smulden van de avonturen van de lasso-werpende papieren cowboy uit Wyoming. Het boek werd de basis voor alle westerns. Beroemd is de scène waarin hij de eer van een vrouw verdedigt door een pistool tegen de borst te drukken van de man die haar beledigde: „When you call me that, smile!” – de originele Dirty Harry.

Sindsdien is de ruwe bolster het favoriete Amerikaanse alter ego, liefst aangekleed door ontwerper Ralph Lauren – zelf geboren als Ralph Lifshitz in de Bronx. Vooral presidenten vinden zichzelf graag uit als cowboy. Teddy Roosevelt, vriend en medestudent van Wister, was een dandy uit New York die van zichzelf een natuurmens maakte. De frêle, aan astma lijdende jongen onderwierp zich in het Westen aan ontberingen om zichzelf te sterken, waarna hij op zijn favoriete paard het Witte Huis binnenreed.

En dan is er natuurlijk Ronald Reagan. De gesoigneerde filmacteur werd eigenaar van een paardenranch en zo een van zijn eigen filmpersonages. Ik herinner me hem, met cowboyhoed en ruitjesoverhemd, hangend over het hek van zijn boerderij. De Koude Oorlog had een revolverheld nodig, met neutronenbommen.

Ook George W. Bush, afkomstig uit het ultieme oostkust-establishment, ging na zijn opleiding aan Yale en Harvard de lone ranger uithangen op zijn Texas-ranch, inclusief aangemeten accent. „Wanted: dead or alive” – zo kondigde hij de jacht op Bin Laden aan.

Het is wachten tot de huidige inwoner van het Witte Huis – de ultieme New Yorker – zijn laatste tweet verstuurt, zijn das afdoet, een cowboyhoed opzet en op zijn paard naar de einder rijdt. I’m a poor lonesome cowboy and a long way from home. Sad.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong