Hij deed waar velen van dromen: een eigen auto ontwerpen

Frank van Rouendal (68) is al 45 jaar bezig met het bouwen van een raceauto. Hoe dat moest wist hij niet, dus kocht hij boeken over auto’s. „Ik zat eindeloos te puzzelen op de plaatjes.”

Frank van Rouendal, werktuigbouwkundig ingenieur: "Ik vind het spannend iets uit niets te maken, bij schepen en bij de auto.” Foto Merlijn Doomernik

Weinig woorden zijn inmiddels zo versleten als ‘passie’. Maar als Frank van Rouendal (68) het woord gebruikt als hij vertelt over het bouwen van zijn eigen auto, dan klinkt het weer zoals het in de Van Dale staat: ‘hartstochtelijke liefde’. Liefde voor de droomauto zelf, maar meer nog voor het eigenhandig maken van een technologisch meesterstuk dat hiervoor niet bestond. Van Rouendal: „Je mag het een obsessie noemen, hoor, maar het is geen obsessie die me te gronde richt.”

Integendeel, voor de werktuigbouwkundig ingenieur Van Rouendal is de auto een levensvervulling. Al 45 jaar lang gaan al zijn vrije uren op aan het schetsen, ontwerpen, ontwikkelen en (laten) bouwen; 9.600 uur alleen al sinds 1999, toen hij echt begon met bouwen en zijn ‘auto-uren’ ging bijhouden. Hij heeft inmiddels meer dan 1.200 tekeningen gemaakt, werkt nauw samen met leveranciers in Nederland, Duitsland, Italië en Zuid-Afrika, en voor het geld dat hij erin stak kun je een aardig huis kopen in zijn woonplaats in Twente.

Waar velen van dromen en wat sommigen ook vergeefs proberen, is Van Rouendal gelukt: het prototype van zijn exclusieve sportauto is klaar. Als enkele gefortuneerde autoliefhebbers 250.000 euro willen neertellen voor een exemplaar van de Silvermine 11SR, kan Van Rouendal de auto gaan produceren in een zeer beperkte oplage van zeg vijf stuks. „Dan begint weer een nieuw avontuur.”

Maar eerst vertelt Van Rouendal over zijn lopende avontuur, in het kantoor achter zijn woonhuis. Een schaalmodel van de Silvermine siert een bureau en 3D-tekeningen van de auto rouleren op een computerscherm. Op een werktafel liggen gefiguurzaagde stukjes triplex. „Ik ben bezig met een model voor de achtervleugel”, zegt Van Rouendal. „Dat zul je wel zien als we zo meteen de auto gaan bekijken.”

Autocoureur

Het begon allemaal in 1973, toen Van Rouendal nog werktuigbouwkunde studeerde. „Mijn hart ging uit naar de racerij. Ik wilde autocoureur worden, maar mijn vader zei: je doet maar, maar niet van mijn geld. Toen dacht ik: misschien kan ik zelf een auto in elkaar knutselen.” Hij begon meteen te schetsen. „Dit zijn de eerste schetsen”, zegt hij en pakt ze erbij. Een sportauto met de glooiende lijnen die populair waren in de jaren zestig van de vorige eeuw. „Sindsdien is de auto niet wezenlijk veranderd.”

Hoe je een auto moest bouwen, dat wist Van Rouendal niet. „Daar waren geen studieboeken voor. Bij De Slegte kocht ik autoboeken met foto’s en ging dan meten; maar een foto vertekent altijd dus ik moest weer corrigeren. Zo zat ik eindeloos te puzzelen op de plaatjes, zo van: ‘Als ik van die auto nou dat neem en van die auto nou dat…’. De silhouet-plaatjes in een Amerikaans autotijdschrift trok ik over. Ik bezocht autobeurzen en vroeg tekeningen van een motor op bij een autofabriek – en kreeg ze ook. Zo bouwde ik langzaamaan heel veel kennis op. Hoe breed de wielbasis moest zijn, waar de bestuurder moest zitten, dat de motor voor de achterwielen moest komen – voor de beste wegligging – al dat soort dingen.”

Lees ook de recensie van de elektrische Jaguar I-Pace: Het eerste echte Tesla-alternatief (als je genoeg geld hebt)

Na zijn studie ging Van Rouendal werken in de scheepsbouw, eerst in loondienst en later met een eigen bedrijf. „Altijd ontwierp ik bijzondere constructies en maakte ik dingen die nog niet bestonden. Ik vind het spannend iets uit niets te maken, bij schepen en bij de auto.” De scheepsbouw bracht hem door heel Nederland en tot bij de Kaspische Zee en op de Krim. „’s Avonds na het werk ging ik op de hotelkamer met mijn computertje weer werken aan de auto – als ik geen rapporten moest schrijven.”

Altijd aan het tekenen

Zo bleef Van Rouendal voortdurend met de auto bezig. „Ik was altijd aan het tekenen, onderdeel voor onderdeel. Er waren jaren dat ik zo hard moest werken dat het er nauwelijks van kwam. Dat was niet erg, want ik ontwikkelde intussen nieuwe ideeën. Ik ging vaak naar bed en stopte het onderdeeltje in mijn hoofd; soms kwam het er bij het opstaan in verbeterde vorm uit.”

Foto’s Merlijn Doomernik

Zijn eigen bedrijf leverde zoveel geld op, dat hij rond de millenniumwisseling voorzichtig kon beginnen met het bouwen van de auto. Alleen de motor kocht hij in – voor liefhebbers: een 3 liter boxermotor van Subaru met 6 cilinders – en ook „alle boutjes en moeren waren kant en klaar”. De rest, vele honderden onderdelen, liet hij maken naar eigen ontwerp. „Het waren vaak bestaande onderdelen, die de leverancier aanpaste aan wat ik wilde”, vertelt Van Rouendal.

Zo leverde een Duitse fabrikant aangepaste racevelgen en zijn alle mechanische bewegende delen gemaakt door een vriend, die instrumentmaker is. „Die zei dan: als je het zo maakt, is dat makkelijk voor ons.” Nadat in 2010 het chassis was voltooid, en de motor erop was geplaatst, stileerden twee ontwerpende broers in 2014 de body, zeg maar de carrosserie. „Zij hebben heel knap de vormen gemaakt die ik in mijn hoofd had. ‘Retro’ noemden ze het. De vloeiende lijnen van vroeger zitten er meer in dan de scherpe, harde spaceshipachtige vormen van de sportauto’s van nu.”

De body-panelen van glasvezel en epoxyhars zijn gemaakt in Zuid-Afrika, bij een bedrijf dat sportvliegtuigjes maakt. Zuid-Afrika is ook het land waar Van Rouendal vaak zijn geëmigreerde oma en tante bezocht op het Kaapschiereiland vlakbij natuurreservaat Silvermine, waarnaar de auto is vernoemd. En het is het land waar hij en zijn vrouw een tweede huis hebben. Dat is een zoenoffer, vertelt Van Rouendal. „Tussen 1998 en 2008 heb ik als een dolle gewerkt. Ik was zo ontzettend veel van huis, dat ik mijn vrouw beloofde: ‘Als dit voorbij is, dan ga ik vervroegd eruit en gaan we een deel van het jaar in Zuid-Afrika wonen. En hebben we meer tijd voor elkaar.’ En dat heb ik gedaan, rond mijn 62ste. Ik kan daar ook tekenen hè.”

Van Rouendal heeft twee dochters, die nu volwassen zijn. „Toen mijn oudste dochter werd geboren, moest ik mijn tijd gaan verdelen tussen werk, gezin en de auto.” Lukte dat goed? „Mijn vrouw zegt altijd: ‘Eerst komen je schepen, dan komt je auto en dan kom ik’.” Heeft ze gelijk? „Ik probeer er een evenwicht in te houden, maar… dit is mijn passie, daar heb ik alles voor over.”

Zijn vrouw vindt de auto niet interessant. „Mijn dochters hadden nooit veel belangstelling, er was ook lang niets te zien. Toen de auto wat meer af kwam, groeide de interesse. Nu vinden ze hem wel mooi.”

Tijd om de auto te gaan bekijken.

Lees ook over Chinezen die zelf vliegtuigjes en helikopters maken: Doe-het-zelvers de lucht in

Nou, dat is hem dan!

In de loods, waar de auto staat, liggen inderdaad de onderdelen van de achtervleugel-in-wording; het triplex is nu aluminium. Van Rouendal: „Dit karwei heb ik heel vaak uitgesteld. Het is typisch iets waar je veel stomme arbeid in moet stoppen, steeds weer opnieuw. En nog is het niet klaar! Je moet de techniek helemaal van begin tot eind opbouwen.” Dat geldt voor elk onderdeel van de auto: het maken is enorm tijdrovend, soms frustrerend en altijd lastig.

Neem nog een keer de body. Het schetsen en het tot in detail uittekenen duurde jaren, net als vervolgens het maken van de schaalmodellen die het steeds (net) niet waren. Toen de vorm eindelijk goed was, moesten de gietmallen worden gemaakt. Toen daaruit de panelen tevoorschijn kwamen, moesten die weer precies passend worden gemaakt. Toen dat gelukt was, moest… En intussen was Van Rouendal ook jaren kwijt aan het vinden van de juiste maker.

Dan trekt Van Rouendal een groot dekzeil weg. „Nou, dat is hem dan.” Het eerste wat opvalt aan de sportauto is de blauw-groene glans: „Ocean blue, een heel stiekeme kleur.” Het tweede is dat je vrij zicht hebt op de motor en veel onderdelen: „Het is ook een showding, hij moet iets uitstralen van techniek.” Tot slot tonen de afgeronde vormen dat de Silvermine inderdaad een nakomeling is van sportauto’s uit de jaren zestig.

Frank van Rouendal, werktuigbouwkundig ingenieur: „Ik vind het spannend iets uit niets te maken, bij schepen en bij de auto.”
Foto’s Merlijn Doomernik

De techniek is ook klassiek en stamt uit de tijd dat auto’s nog geen rijdende computers met elektronische hulpmiddelen waren. De regeling van de brandstof en ontsteking is elektronisch, maar de auto heeft geen rem- of stuurbekrachtiging en wordt ook niet aan de weg gezogen zoals bij moderne raceauto’s. „De wegligging komt van de mechanische grip op de weg, door plaats van de motor en de ophanging van de vering”, legt Van Rouendal uit.

Het rauwe karakter is „het wezen van de auto”, zegt de maker. „Hij helpt je niet. De coureur moet zelf het werk doen. Het is een rijdersauto, voor mensen die echt willen sturen.” Op een circuit, want de zogeheten ‘track day car’ is niet geschikt voor de openbare weg. „De gedachte koper heeft al andere auto’s, en wil iets met een technische uitstraling. En dan op het circuit laten zien dat ie echt kan racen.”

Van Rouendal hoopt dat jonge technici de auto uiteindelijk gaan produceren, al was het alleen maar omdat zijn vergaarde kennis dan voortleeft. „En ik zie nu al honderd kleine dingen die al weer beter kunnen.” Zijn oudste dochter heeft het logo voor de Silvermine ontworpen. Zijn jongste dochter heeft hem gevraagd: „Ga je nog je vliegtuig maken?” Van Rouendal heeft er namelijk ook van gedroomd om na schepen en de auto ook nog een eigen helikopter te bouwen. „Maar nog eens 45 jaar lang rekenen en studeren, dat wordt hem niet natuurlijk.”

    • Karel Berkhout