Opinie

    • Sjoerd de Jong

Journalisten die worden uitgezet: opeens een stip achter je naam

De klop op de deur. De mannen in leren jackjes. Correspondent Koen Greven kreeg in Marokko de geheime dienst op bezoek. Hij mocht niet werken in de oproerige provincie Al Hoceima. Greven deed er verslag van, onder de kop De Marokkaanse veiligheidsdienst reist met me mee.

Altijd spannend zoiets – maar ook leerzaam. Het kan lezers laten zien waar journalisten in het buitenland mee te maken kunnen krijgen voor ze hun stukken insturen. Dat gaat niet zomaar. Want er mag in Nederland iets te doen te zijn over persvrijheid, over de grens is het daar echt een stuk erger mee gesteld.

Ik vond dat verslag van Greven dus nuttig. Al was de afloop een beetje onduidelijk, was hij nu uitgezet of niet? Greven zegt: „Ik heb uiteindelijk besloten te vertrekken nadat er met uitzetting was gedreigd. De afgelopen tijd zijn enkele buitenlandse journalisten Marokko uitgezet. Als het de lokale autoriteiten uitkomt, zeggen ze dat je een werkvergunning nodig hebt. Die is bijna niet te krijgen. Dat duurt soms jaren, en dan nog alleen voor journalisten die er wonen.”

Een eerdere uitzetting eindigde wel op het vliegveld. Correspondent Hubert Smeets werd in 1993 in Oezbekistan gearresteerd en, met fotograaf Oleg Klimov, op het vliegtuig gezet. Hij had in de Centraal-Aziatische republiek gesproken met vertegenwoordigers van de oppositie.

Twee dagen later deed Smeets verslag, met alle ingrediënten. Mannen in auto’s voor de deur staan. Anonieme telefoontjes naar de hotelkamer. De klop op de deur, klokslag middernacht, controle van de papieren. Het troostende, ‘filosofische’ afscheidsgesprek met uitleg: „Het is allemaal erg ingewikkeld.”

Het haalde niet het NOS Journaal, wel het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, in een overzicht van schendingen van mensenrechten in Oezbekistan.

Nog wat heftiger verging het in 2009 de NRC-correspondent in Moskou, Michel Krielaars. Hij werd in de Russische deelrepubliek Kabardino-Balkarië, op reportage met Oleg Klimov, gearresteerd nadat hij mensenrechtenactivisten had geïnterviewd over een omstreden terroristenproces. Vrijwel meteen werd hij door een rechtbank veroordeeld tot uitzetting uit Rusland voor vijf jaar; zijn papieren zouden niet in orde zijn geweest. De geheime politie had een met tippex verbeterd getal gevonden op zijn Moskouse registratieformulier. Tot uitzetting kwam het niet, mede na interventie van de Nederlandse ambassade. Een maand later draaide het hooggerechtshof van de deelrepubliek het vonnis volledig terug.

Ook Krielaars deed gedetailleerd, en tongue in cheek, verslag van zijn verhoor. Hoe het leven in Nederland was? Antwoord van de correspondent: „Democratisch, ordelijk en comfortabel, alles wat Rusland niet is.”

Het meest onderkoelde verslag komt van toenmalig Indonesië-correspondent Elske Schouten. Zij werd in 2009 in Jayapura aangehouden na een demonstratie voor onafhankelijk Papoea. Op het bureau belt ze met de krant, collega-journalisten, haar ouders en de Nederlandse ambassade. „Mijn ondervrager vond het gebel en ge-sms niet erg: in de tussentijd zat hij op Facebook. Of hij mij ook mocht toevoegen als vriend? Ach ja, waarom ook niet”, noteert Schouten droogjes. Tot haar verbazing zag ze dat haar arrestatie het Nederlandse nieuws had gehaald.

Minder luchthartig was wat Turkije-correspondent Bram Vermeulen in 2013 beleefde, na een reeks reportages over onder meer de PKK. Opeens verscheen een stip achter zijn naam in de douane-computers. Maandenlang dwalen door een ambtelijk en diplomatiek doolhof was het gevolg. De stip werd „als een etterende wond, die op steeds meer plekken pijn begon te doen”, schreef Vermeulen. Onder druk van de speciale onderhandelaar van het europarlement voor Turkse toetreding werd hij uiteindelijk van de zwarte lijst gehaald.

Langer geleden: Frans van Hasselt, correspondent in Griekenland, werd eind jaren zestig uitgezet door het kolonelsregime, en moest jaren vanuit Istanboel werken. Twee andere vaste NRC-correspondenten die sinds 1990 ‘hun’ land werden uitgezet: Dirk Vlasblom uit Indonesië (1996) en Derk Walters uit Israël (2017).

Walters kreeg in 2017 geen visum meer, nadat de autoriteiten, getipt vanuit Nederland, bezwaar maakten tegen de bestuursstructuur van NRC Media die in strijd zou zijn met de Israëlische persregels. Toen dat was opgehelderd, had Walters enkele maanden illegaal in het land gewerkt, en werd dat het fatale argument. Op het aanbod een laatste, tijdelijke vergunning aan te vragen was hij niet ingegaan, in afwachting van het beroep tegen het intrekken van zijn volledige visum.

Bij Vlasblom ging het, zegt hij, om „een opeenstapeling van irritaties” die ertoe leidde dat zijn visum na zes jaar niet meer werd verlengd. Hij zou onder meer sympathiseren met een vrij Papoea. Een rol speelde vermoedelijk ook zijn kritische berichtgeving over een gijzeling in Irian Jaya (waarvoor hij in 1997 de Prijs voor de Dagbladjournalistiek kreeg). Maar toch kwam het onverwachts: wegwezen.

Twee jaar later deed hij verslag in een boek, dat in NRC werd voorgepubliceerd. Hij spreekt van „een doolhof zonder uitgang”, vol vage officiële verklaringen en dubieuze procedurele argumenten.

Autoriteiten kunnen zich altijd bedenken – dat is het probleem met persvrijheid.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong