Recensie

De symboliek ligt er te dik op

Hij zou ophouden met schrijven, kondigde hij aan na zijn roman Oogst. Dat boek leek een mooi slotakkoord: de roman kreeg goede kritieken en haalde de shortlist van de Man Booker Prize. Maar nu, vijf jaar later, komt de Britse schrijver Jim Crace (1946) toch weer met een nieuwe roman: De melodie. Het zou natuurlijk prachtig zijn als dit een boek was dat zijn voorganger op alle fronten overtrof, de roman die nog geschreven moest worden – maar dat is helaas niet het geval.

De melodie begint goed. Net voordat hij benoemd zal worden tot ereburger van zijn stad wordt de bejaarde zanger Alfred Busi ’s nachts in zijn huis aangevallen door een wezen van onduidelijke herkomst. Die gebeurtenis is het begin van een ‘week van schoppen en schrammen’ waarin Busi’s hele leven op zijn kop komt te staan: het huis waarin hij geboren is en waarin hij met zijn inmiddels overleden vrouw heeft gewoond, dreigt te worden gesloopt om plaats te maken voor luxe appartementen, hij wordt overvallen in het park, voor het eerst in zijn leven moet hij een concert afzeggen.

Het verhaal speelt in een kuststad in een niet nader genoemd land. Vlak achter de stad ligt het Poverbos, waar naar verluidt nog Neanderthalers en andere mythische wezens rondzwerven. Verder is de stad in het bezit van een Bedelbroederspark en arme wijken die bekend staan als de Sjofelbuurt, Snertbuurt en de Stinkbuurt.

Subtiel is het allemaal niet, en dat is dan ook het probleem van deze roman: de symboliek ligt er te dik op. Het keurige laagje beschaving waarvan we onze wereld hebben voorzien (gesymboliseerd door Busi’s ereburgerschap) is dun en kan er zó worden afgeschraapt, door bedreigingen van binnen en van buiten: door onze verborgen wilde natuur (de bewoners van het Poverbos), de ongelijkheid (de armen die het park bewonen en door de politie worden weggejaagd).

Ook de personages zijn te duidelijk getekend. De sensatie-journalist die over Busi’s problemen schrijft is een cynische alcoholist die klaarkomt op zijn eigen teksten (voor hij achter zijn typemachine kruipt knoopt hij zijn broek los) en ook de andere bijrolspelers gedragen zich niet verrassend. Er verrast gewoon te weinig en het is lastig meeleven met clichématige personages in een symbolische wereld. Eigenlijk is alleen de anonieme aanvaller van Busi een intrigerend personage, die aanvalsscène is dan ook meteen het beste deel van het boek: er wordt niets verklaard, de dreiging blijft vaag en onbestemd. Zodat we weer even weten waar het bij literatuur om gaat: er moet iets te raden overblijven.

    • Rob van Essen