Op het Paradijsplein voerde IS zijn publieke executies uit. In één hoek van het plein heeft Ali Ali (46) nu groene, rode, blauwe en oranje plastic stoelen neergezet. Hij legt hier de laatste hand aan een openluchtcafé dat hij ‘Today’ heeft genoemd. „Ik wilde er opnieuw kleur aan geven.”

Nicole Tung

Voor wederopbouw is Raqqa op zichzelf aangewezen

Syrië Miljarden zijn uitgegeven aan het bombarderen van Raqqa in de strijd tegen IS. In de voormalige hoofdstad van het kalifaat worden nog elke dag doden geborgen. De stad ligt in puin, maar voor de wederopbouw heeft niemand geld over.

Elke dag om drie uur ’s middags voeren de mannen van de civiele bescherming van Raqqa hetzelfde ritueel uit. Ze laden uit hun bestelwagen de lijken in blauwe zakken die ze eerder die dag in de stad hebben opgegraven. Ze leggen de zakken netjes op een rij. Ze zeggen een kort gebed. Dan begraven ze hen opnieuw in een massagraf op een kerkhof net buiten de stad.

Behalve de reddingswerkers doet er die dag ook één familielid mee aan het gebed. Mohammed Al-Asfar is ’s ochtends het opgravingswerk op een open plek in het centrum van Raqqa komen bijwonen. Hij had gehoord dat zijn zoon Abdelkader (33) daar mogelijk was begraven. „Hij is een jaar geleden gedood bij een luchtaanval”, vertelt Al-Asfar. „De eerste bom maakte veel slachtoffers, maar Abdelkader had het overleefd. Toen viel er een tweede bom. Ik wil hem een fatsoenlijke begrafenis geven.”

Aan het eind van de opgraving die ochtend identificeert Al-Asfar zijn zoon inderdaad aan de hand van zijn identiteitspapieren. Op het kerkhof sluit hij zich aan bij het korte gebed van de reddingswerkers. Een van hen maakt met een steen een kenteken op de kerkhofmuur zodat de familie later het graf, of in ieder geval de rij, kan terugvinden.

Mondmaskers tegen de stank

Al-Asfar heeft geluk: de meeste doden worden anoniem begraven, zegt teamleider Hilal Al-Zaher (40). „Sinds januari hebben wij 1.200 lichamen geborgen. Daarvan zijn er 400 geïdentificeerd, meestal doordat ze papieren bij zich hadden. Van de rest weten we niet wie het zijn.”

Het is 47 graden in Raqqa en Al-Zaher en zijn mannen dragen mondmaskers tegen de stank die hen tegemoet walmt telkens wanneer zij een lijk blootleggen. Op deze plek, waar zich ooit de dierentuin van Raqqa bevond, zijn de opgravingen twee weken eerder begonnen. Al-Zaher en zijn mannen – sommigen krijgen salaris, anderen zijn vrijwilliger – hebben er al een 40-tal lijken geborgen. Die dag zijn het er negen. „We verwachten dat er nog 400 à 500 lichamen onder de grond liggen.”

Dit zijn veelal slachtoffers van de luchtaanvallen van de anti-IS-coalitie, meent Al-Zaher. „Er zijn geen aanwijzingen dat hier mensen liggen die door IS zijn geëxecuteerd.”

Hij kan het weten: Al-Zaher doet dit werk al vijf jaar. Sommige doden die hij nu opgraaft, heeft hij ooit zelf begraven. „IS deed niets met de lijken na een luchtaanval. Iemand moest hen begraven.”

Hoeveel burgers in Raqqa zijn gedood en door wie zal wellicht nooit precies bekend worden. De civiele bescherming heeft niet de tijd of de middelen om forensisch onderzoek te doen. Er is geen mortuarium om de stoffelijke overschotten te bewaren voor latere identificatie. „Het is daarom dat we de doden elke dag begraven. Anders kunnen er ziektes uitbreken”, zegt Al-Zaher.

„Er liggen nog veel lichamen onder het puin”, zegt Ibrahim Al-Farraj van het gemeentebestuur van Raqqa, „maar wij hebben gewoon niet de middelen om die te bergen.”

Het gemeentebestuur keerde zelf pas terug in maart – vijf maanden nadat IS eind oktober 2017 uit Raqqa werd verdreven. Vanuit zijn kantoor in het oude postgebouw dat nu dienstdoet als gemeentehuis kijkt burgemeester Ahmed Ibrahim (29) elke dag uit over de verwoesting van zijn stad.

„Wij zitten nog altijd in een noodsituatie”, zegt Ibrahim. „De watervoorziening is nu wel voor tweederde hersteld, maar voor elektriciteit zijn wij nog altijd aangewezen op noodgeneratoren. Om de elektriciteit te herstellen is één miljard Syrische pond nodig (zo’n vier miljoen euro volgens de officiële koers). „Maar ik heb geen miljard pond.”

Raqqa is de laatste in een rij van steden in Syrië en Irak die de afgelopen jaren geheel of gedeeltelijk zijn verwoest in het kader van de strijd tegen IS. Ramadi, Fallujah, Kobani, Mosul gingen Raqqa voor. Maar nergens is de verwoesting zo groot als in Raqqa, waar de anti-IS-coalitie tussen juni en oktober 2017 meer dan vierduizend luchtaanvallen heeft uitgevoerd, bovenop 30.000 rondes artillerievuur. Het resultaat: meer dan 12.000 gebouwen in Raqqa zijn beschadigd en zo’n drieduizend zijn helemaal in puin geschoten – samen 70 tot 80 procent van alle gebouwen in de stad. Het puin in de straten is voor het grootste deel opgeruimd.

Volgens de meest recente cijfers van het Amerikaanse ministerie van Defensie heeft de oorlog tegen IS gemiddeld 13,6 miljoen dollar per dag gekost, of 14,3 miljard dollar van augustus 2014 tot juni 2017, net voor het offensief tegen Raqqa begon dus.

Een man zoekt verkoeling bij een watersproeier op het Paradijsplein in Raqqa.
Foto Nicole Tung
Een goudwinkel in de belangrijkste winkelstraat van Raqqa. Sinds de val van IS in oktober vorig jaar keren steeds meer mensen terug naar de stad. De eigenaren van winkels en restaurants draaien zelf op voor de kosten van het schoonmaken van het puin.
Foto Nicole Tung

Beter onder IS?

Terwijl veel landen in de rij stonden om te mogen meedoen aan de luchtaanvallen tegen IS, is er aanzienlijk minder enthousiasme om te helpen bij de heropbouw van Raqqa.

„In het begin was het echt nul”, zegt burgemeester Ibrahim. „Nu zijn er twee non-gouvernementele organisaties aan het werk in Raqqa. Het is een eerste stap maar wel een heel kleine.” Ibrahim is ook gefrustreerd dat de weinige internationale hulp naar die organisaties gaat in plaats van naar zijn eigen gemeentebestuur. „De mensen in Raqqa moeten wel zien dat hun gemeentebestuur zijn werk doet”, zegt Ibrahim. „Want als ze hun levens niet beter zien worden, gaan ze zeggen dat het onder IS beter was. Want onder IS lag de stad nog niet in puin.”

De terugkeer van de burgerbevolking werd lange tijd ontmoedigd vanwege het gevaar van door IS verborgen explosieven of ander niet ontploft oorlogstuig. Vandaag schat de burgemeester dat zo’n 175.000 mensen zijn teruggekeerd, op een totale vooroorlogse bevolking van een half miljoen.

Voorraad buiten de stad

Eén van hen is de 35-jarige Musab Sheban. Hij heeft een winkel met wasmachines, televisies en andere elektrische apparaten in een van de handvol winkelstraten van Raqqa waar de bedrijvigheid is teruggekeerd – van veel rolluiken moet het IS-logo nog worden verwijderd. Sheban vluchtte vorig jaar naar het platteland toen het Raqqa-offensief begon en is in maart dit jaar teruggekeerd. Het was geen makkelijke beslissing, zegt hij.

„We hebben er veel over gepraat met onze oude buren. We wilden allemaal het leven terugbrengen naar de stad. Maar mensen waren bang om de stap alleen te zetten. Dus hebben we afgesproken dat we mekaar zouden helpen bij het opknappen van onze zaken. Eerst waren we met z’n vijven, nu zijn de meeste handelaars in de straat terug.”

Makkelijk is het niet, zegt Sheban. Voor de producten die hij verkoopt, is elektriciteit nodig en lang niet iedereen heeft het geld voor aansluiting op een buurtgenerator. Ook de veiligheid is een probleem. „Tijdens de ramadan is hier ingebroken. Ze zijn met de tv-schermen aan de haal gegaan. Nu bewaar ik het grootste deel van mijn voorraad buiten de stad.”

Ook Sheban benadrukt dat hij geen enkele hulp heeft gekregen. „Wat u ziet is het resultaat van mensen die zichzelf en elkaar hebben geholpen.”

Nieuwe dictatuur

Raqqa heeft de voorbije zeven jaar vijf machtswisselingen meegemaakt. Eerst was er het regime, toen het Vrije Syrische Leger, gevolgd door Jabhat al-Nusra (Al-Qaeda) en IS, en nu de SDF. Die laatste zijn officieel een gemengde Koerdisch-Arabische strijdmacht, maar het is een publiek geheim dat de Syrische Koerden van de YPG het voor het zeggen hebben binnen de SDF.

Dat zorgt voor spanningen. Leden van het nieuwe bestuur in Raqqa en elders zijn vermoord, wellicht om de samenwerking tussen Arabieren en Koerden te saboteren. Wie de daders zijn is onduidelijk. Maar ten minste één moord is opgeëist door Harakat Al-Qiyam, een nieuwe groepering die de YPG bestrijdt. Ook de betrokkenheid van IS is niet uitgesloten.

In juli waren er betogingen in Raqqa, waarna enkele dagen een uitgaansverbod werd afgekondigd. Maar voor openlijke kritiek op de nieuwe machthebbers moet men bij inwoners van Raqqa in ballingschap zijn.

„Om IS te verslaan hebben jullie een hele gemeenschap vernietigd en een nieuwe dictatuur in het zadel geholpen”, zegt een van hen op voorwaarde van anonimiteit vanuit Turkije. Hij zegt dat hij niets tegen de Koerden heeft, wel tegen de YPG. Die beschuldigt hij ervan dat zij samenwerken met dezelfde soennitische stammenleiders die met IS hebben gecollaboreerd. En van corruptie: SDF-soldaten die door de Amerikanen zijn opgeleid om explosieven op te ruimen zouden daar geld voor vragen.

Het Paradijsplein op 28 juni. Het plein dat voor de komst van IS een druk plein was, werd een symbool van de wreedheid van de terreurgroep. Nu ligt een groot deel van de gebouwen er omheen in puin.Foto Nicole Tung

Gekleurde lampen

„Je kan je afvragen met welk recht de Koerden de baas spelen over Raqqa, waar zij voor de oorlog amper vijf procent van de bevolking uitmaakten”, zegt de activist. Maar het meest zorgwekkend is volgens hem dat er in de negen maanden sinds de overwinning op IS zo weinig is gedaan aan de heropbouw.

„Goed, de Amerikanen hebben beslist dat de Koerden Raqqa mogen besturen. Maar vervolgens hebben zij hun niet de middelen gegeven om dat behoorlijk te doen. Wat voor zin heeft dit? Je drijft zo alleen de spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen op.”

De activist geeft wel toe dat de mensen in Raqqa zelf de politiek grondig beu zijn. „Zij willen gewoon vrede. Het maakt hen niet uit door wie zij bestuurd worden. Zij voelen zich door iedereen in de steek gelaten.”

Musab Sheban in Raqqa bevestigt dat. „Wij willen elektriciteit. En stabiliteit. Deze oorlog is nu zeven jaar bezig, het is genoeg geweest. Wij willen dat onze kinderen terug naar school kunnen.”

Het Paradijsplein in het centrum van Raqqa is omringd door geheel of half verwoeste gebouwen. De hele omgeving is bedekt onder een monotone laag stof, en de oranje gloed van een zandstorm geeft het geheel die dag een post-apocalyptische aanblik.

Maar in één hoek van het plein is er wel kleur: groene, rode, blauwe en oranje plastic stoelen wachten op klanten op een felgroen gazon dat met sprinklers wordt besproeid. Gekleurde lampen moeten het geheel een feestelijke aanblik geven. Ali Ali (46) legt hier de laatste hand aan een openluchtcafé dat hij ‘Today’ heeft genoemd.

Ali vluchtte al in 2012 uit Raqqa; hij keerde pas terug nadat IS er verdreven was. Nu wil hij helpen bij de heropbouw, en hij heeft daarvoor een heel symbolische plek gekozen. Want het Paradijsplein was waar IS zijn publieke executies uitvoerde. Afgehakte hoofden werden bij wijze van afschrikking op het traliewerk rond de fontein gespietst. De beelden van IS-strijders die met buitgemaakte pantservoertuigen rondjes reden rond de fontein gingen in 2014 de wereld over.

Aan de oever van de Eufraat bij Raqqa. De oversteek van de noord- naar de zuidkant van de stad gebeurt per boot. Veel infrastructuur, zoals bruggen over de rivier, is vernietigd tijdens de bombardementen.
Foto Nicole Tung
De ‘pontjes’ die gebruikt worden om de oversteek te maken en goederen naar de overkant te brengen, zijn vaak krakkemikkig.
Foto Nicole Tung
Foto Nicole Tung
28 juni. Tussen het puin van alle luchtaanvallen proberen inwoners spullen bij elkaar te sprokkelen die nog van waarde kunnen zijn, zoals hout en ijzer.
Foto Nicole Tung

IS-bioscoop

„Mijn café staat precies op de plek waar IS een soort openluchtbioscoop had”, zegt Ali. „Ze vertoonden hier hun propagandavideo’s. Zij hebben van het Paradijsplein een helse plek gemaakt. Ik wilde er opnieuw kleur aan geven.”

Maar eenmaal weg van café Today vervagen de kleuren in Raqqa snel. Om de hoek inspecteert Musa Saleh, 63, de schade aan het appartementsgebouw waar hij en andere familieleden altijd hebben gewoond. Het gebouw is geraakt door luchtaanvallen, het is zwartgeblakerd door de vlammen. In de verlaten straat hebben wind en stof vrij spel.

„Tegen het einde trokken de IS-strijders en hun families opzettelijk in gebouwen waar veel burgers woonden. Dit gebouw hebben ze gebruikt om graan en brandstof op te slaan”, zegt Saleh. „Ik ben vertrokken. We waren bang voor een luchtaanval op het gebouw.”

Nu woont hij bij een dochter op het platteland en komt hij af en toe kijken hoe de situatie in Raqqa evolueert. In de kelder van het gebouw liggen nog lichamen te rotten maar de familie heeft niet de middelen om die te verwijderen. Het hele gebouw is instabiel en moet wellicht met de grond gelijkgemaakt worden.

„Dit is niks”, mengt buurman Faisal Abbas (45) zich in het gesprek. „In één gebouw in de buurt hebben we wel veertig lijken gevonden. IS dreef de bewoners samen in de kelders. Als het gebouw dan gebombardeerd werd, kwamen de mensen daar aan hun einde.”

Platgebombardeerd

Abbas is pas tijdens de eindstrijd gevlucht, nadat hij door IS uit zijn huis was gezet. „Ik ben al zigzaggend naar de Koerden gelopen terwijl een IS-sluipschutter mij probeerde dood te schieten”, vertelt hij.

Hij troont ons mee naar het intact gebleven huisje op een binnenplaats waar hij nu met zijn moeder woont. Zijn vrouw en kinderen heeft hij via de Balkanroute naar Zweden gestuurd. „Ze gingen naar mijn zin net iets te vaak naar de IS-bioscoop op het plein.” Op zijn telefoon toont hij foto’s van kinderen die in de sneeuw spelen.

Zelf denkt Abbas niet aan vertrekken. „Ik ben aannemer”, zegt hij. „Als we allemaal vertrekken, wie gaat Raqqa dan weer opbouwen?” Zoals velen in de stad vraagt hij zich af waar de hulp blijft. „De internationale gemeenschap heeft Raqqa platgebombardeerd en nu doen ze niets om te helpen bij de heropbouw. Hele buurten zijn met de grond gelijkgemaakt. Anderzijds: met IS viel ook niet te leven. Natuurlijk zijn wij boos. Het is een ramp. Maar wat kunnen wij doen? Wij zijn teruggekeerd omdat we geen andere optie hebben.”

    • Gert Van Langendonck