Recensie

Tweelingbroers, zo hecht en zo pijnlijk anders

Een bloempot beschilderen: wie wil dat niet? Thomas en Mathis, twee eeneiige tweelingbroers, gaan liever naar de snackbar. Ze geven begeleidster Ellemieke, van woongroep De Wingerd, het nakijken. Maar dan valt de avond. De ene jongen moet blijven, terwijl de ander, zes minuten ouder, gaat. De tweeling ligt aan diggelen.

Thomas en Mathis hadden elkaars evenbeeld moeten zijn, maar zijn dat niet. De een kwijlt, grimast en kijkt scheel. Hij zit met iele, onvolgroeide beentjes en doelloze voeten in een rolstoel. Zijn broer Mathis is de ik-verteller van De tweelingparadox, de tweede roman van Nowelle Barnhoorn (1986). Zij is zelf de helft van een tweeling; haar zus is net als Thomas spastisch.

‘Ik wilde je iets over mezelf vertellen, tot ik besefte dat dat niet kan zonder over mijn broer te vertellen’, luidt de eerste zin van het boek. Het innig voornemen is daarbij ‘niet te liegen’. Met deze vorm wekt Barnhoorn meteen spanning. Hoe betrouwbaar is Mathis als verteller? Wie is de ‘je’ tot wie hij zich richt? Heeft hij of zij er iets mee te maken dat het contact tussen de tweelingbroers, eenmaal volwassen, mondjesmaat is? Waarom wordt er zo uitvoerig ingegaan op de angst van de moeder dat Thomas eens met rolstoel en al het water in zal rijden?

Dit soort verwachtingen lost Barnhoorn niet in. De tweelingparadox is geen spannend verhaal, het kabbelt eerder voort. De tweede helft, als de jongens onherroepelijk uit elkaar groeien en de volwassen Mathis zijn draai niet kan vinden, is een beetje flets. Maar wat Barnhoorn daarvoor schrijft, over de jeugd van de tweeling, is juist sterk, gelaagd en vol nuance.

De goed gelukte

Lees ook het interview met schrijfster Nowelle Barnhoorn (31): ‘Ik was de goeie, met mij was nooit wat mis’

Ze schetst twee gevoelige jongens, die elkaar, ondanks hun verschillen, als geen ander begrijpen. Ze hebben een eigen taal als ze klein zijn, en eigen grappen, spelletjes en regels. Hun verbondenheid is vanzelfsprekend. Tot hun moeder door haar rug gaat en Mathis boven, waar Thomas niet komen kan, de zak met Sinterklaascadeautjes moet gaan pakken. Vanaf dit moment blijkt Thomas vrijer dan Mathis: hij kan ongestoord blijven geloven, in Sinterklaas, in Pluk van de Petteflet, in de smurfen. Maar Mathis moet, mag, de echte wereld in. In zijn eentje.

Knap geeft Barnhoorn weer hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van de ander is. Zelfs als de broers niet bijeen zijn, is de ander er toch altijd bij. Ook de rolwisselingen tussen de broers zijn sterk beschreven. In de ogen van de buitenwereld is Mathis natuurlijk altijd de winnaar, de sterkste van de twee, de goed gelukte, maar tussen beiden ligt dat soms anders.

Mathis is altijd dienstbaar aan zijn broer. Hij krijgt een fototoestel voor Sinterklaas. Zijn moeder zegt er meteen bij dat hij daarmee alle plekken van de wereld waar Thomas niet komen kan, aan hem kan laten zien. Als de jongens tekenen bij hun artistiekerige, vrijgevochten oma krijgt Thomas als vanzelf de hoogste lof, maar hij tekent als een vijfjarige, en ze zijn intussen al tien…

Na hun kindertijd wordt Mathis’ wereld alras groter, voller en gejaagder, en die van Thomas kleiner, leger en stiller. Het is de verdienste van Barnhoorn dat ze je even laat wikken en wegen: wie is eigenlijk beter af?

    • Judith Eiselin