Ook 73 jaar na Japanse bezetting duurt strijd voor erkenning voort

Nederlands-Indië Nederland herdenkt op 15 augustus het eind van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. Niet voor iedereen is de kolonie voltooid verleden tijd. Nog altijd wordt gestreden voor erkenning.

Foto Ans Brys

Bij het eerste bezoek aan Maria-Antoinette van de Laar-van Beekom (95), op een snikhete middag begin juli, opent haar oudste zoon, Fred (69), de voordeur van het tweekamerseniorenappartement in de Eindhovense wijk Strijp. Hij heeft een schort voorgebonden en rubberen huishoudhandschoenen aan. Binnen is het schemerdonker, omdat de gordijnen vanwege de felle zon zijn gesloten. Ergens blaast een ventilator warme lucht rond. Fred, gepensioneerd verpleegkundige, heeft de thuiszorg opgezegd en zelf de zorg voor zijn hoogbejaarde moeder overgenomen, met zijn broers Ruud en Rob. „Ma’s huid is broos en dun maar ze hebben haar zo ruw beetgepakt bij het vertillen dat het vel op haar bovenarmen en bij haar polsen helemaal openligt”. Volgt een uiteenzetting over de klachtprocedure die hij is begonnen tegen de thuiszorgorganisatie.

Maar dat is niet de belangrijkste procedure waarin Fred van de Laar en zijn broze moeder zijn verwikkeld. Dat is het proces tegen de afwijzing door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van het verzoek van Maria-Antoinette van de Laar om een uitkering in het kader van de zogeheten ‘backpay-regeling’. Deze inmiddels formeel beëindigde regeling van toenmalig staatssecretaris Martin van Rijn (Welzijn, PvdA) keerde vanaf december 2015 25.000 euro uit („op morele gronden”) aan ambtenaren en militairen die tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië niet waren doorbetaald.

Het is de jongste poging van politiek Den Haag om in het reine komen met dat deel van de postkoloniale geschiedenis. De backpay-kwestie achtervolgt alle naoorlogse kabinetten, zoals in 2007 diepgravend beschreven door de Groningse historicus Hans Meijer in zijn studie Indische rekening, Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945-2005. Meijer beschreef ook hoe dit oorspronkelijk zuiver financiële arbeidsconflict „evolueerde tot een principiële, morele erekwestie”.

Eed van geheimhouding

Maria-Antoinette van Beekom, zoals haar meisjesnaam luidt, zit, omhooggehouden door kussens, op haar zandmatras en kijkt met alerte ogen door haar goudkleurige brilmontuur naar haar gast. „Moet u niet iets drinken?” Haar hoofd staat een beetje scheef. Door de zware medicijnen valt ze af en toe in slaap. Dan vertelt Fred haar verhaal. Dat ze met een broertje en een zusje opgroeide in Bandoeng, maar dat haar moeder overleed toen ze nog maar zes jaar oud was. Haar vader, die financieel administrateur was op een koffie- en theeplantage, hertrouwde. Zijn nieuwe vrouw wilde die kinderen uit het eerste huwelijk niet. Haar vader zou in 1949 worden vermoord op Java. Het graf van haar moeder in Sukabumi wordt nog steeds bezocht.

Lees ook: Van ‘backpay’ naar ‘collectieve erkenning’. Maar van wat?

Maria-Antoinette werd ondergebracht bij een zus van haar vader in Djokjakarta. Maar deze tante Wies „gebruikte haar als dienstmeid en was zo gemeen dat ze wegliep toen ze achttien was”. Dat was in 1941. De oorlog met Japan hing in de lucht. Maria-Antoinette belandde als typiste bij de inlichtingendienst van de B-Divisie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) in Bandoeng, vertelt Fred. Plots wordt hij onderbroken door zijn moeder die uit haar hazenslaapje is ontwaakt, en hem fel aankijkt door haar gouden montuur: „Hoe weet jij dat?!”

Erover praten is een schending van de eed van geheimhouding die zij ooit heeft moeten afleggen, had haar zoon al gezegd. De tragiek is dat er nergens meer papieren zijn die kunnen dienen als bewijs. Fred steekt zijn handen in de lucht: „Allemaal weg. Vernietigd door de Jappen. Opgeruimd door de Nederlandse staat.”

Foto Ans Brys
Foto Ans Brys

Hand- en spandiensten

Zo is er ook geen bewijs van de claim van Maria-Antoinette van de Laar dat zij is doorgegaan met inlichtingenwerk toen zij vanaf maart 1942 was geïnterneerd in het kamp Sewugalur, een oude suikerfabriek aan de zuidkust van Java. „De stelling dat het zeer aannemelijk is dat appellante vanuit het interneringskamp geheime hand- en spandiensten voor de inlichtingendienst zou hebben verricht wordt niet ondersteund door enige aanvullende gegevens (…) en is niet aannemelijk te achten”, schreef de SVB precies een jaar geleden in haar verweerschrift in het proces voor de Centrale Raad van Beroep. En deze rechterlijke instantie nam dat oordeel op 11 januari dit jaar over.

Fred roept in het goede oor van zijn moeder of ze kan vertellen hoe dat ging toen ze in kamp Sewugalur zat. Maar ze fronst haar voorhoofd en zegt iets over huishoudelijk werk. Fred bladert in een rood schrift waarin hij heeft bijgehouden wat zijn moeder heeft verteld. „Ze had ruimschoots de gelegenheid om bezoek te ontvangen en boodschappen uit te wisselen.”

Foto Ans Brys

Zijn moeder is moe, ze moet rusten. Maar ze wil nog wel een tsjoem, een zoen, van haar vertrekkende gast.

Meisjes van de B-Divisie

Na uren praten, bij het tweede bezoek, op alweer een snikhete middag begin augustus zegt ze het dan zelf: „Ik werkte voor de inlichtingendienst. Bij het kantoor Operatiën in Bandoeng. Voor de oorlog.”

Fred heeft zijn moeder deze keer in een rolstoel in de woonkamer gezet. Ze heeft haar pruik op en kijkt aandachtig door haar bril. Ze verdiende 90 gulden per maand, werkte op dat kantoor met vier andere jonge vrouwen. „Er moet een foto zijn van ons vijven, genomen met sinterklaas 1941”.

Lees ook over Molukse KNIL-soldaten en hun strijd voor erkenning: ‘Ambonezen zijn ook veteranen’

Inmiddels is ook zoon Rob, die in Helmond woont, binnengekomen. Hij moppert over ‘de politiek’, die zijn moeder slecht behandelt. Moeten weduwen van slachtoffers van het optreden van het Nederlandse leger in Indonesië ook papieren bewijzen laten zien om schadeloosstelling te krijgen? „Nee, dus. En dat is gewoon een vuil spelletje”.

Ook de behandeling van zijn vader nadat die in Nederland met zijn moeder in 1950 in Nederland was aangekomen zit hem dwars. Fred van de Laar senior is enige jaren geleden overleden. Zijn grijze overjas van de luchtmacht, met Je maintiendrai op de schouder, hangt nog altijd aan de kapstok in het halletje. „Pa werkte net als mijn moeder tijdens de politionele acties bij de inlichtingendienst van de B-Divisie,” zegt Rob, „daar kennen ze elkaar van. Hij was een Indische-Nederlander maar hij zat daar in een traject om te worden opgeleid tot officier. Eenmaal in Holland ging dat niet door. Zogenaamd omdat de eisen hier strenger waren. Maar het was puur discriminatie. Werkte hij de rest van zijn leven bij de luchtmacht op vliegveld Welschap. Als instructeur mocht hij anderen tot officier opleiden”.

„Ga eens zoeken, Robbie,” zegt zijn moeder. In het langwerpige rode fotoalbum in een kast op de slaapkamer bij de hoeden, moet die foto zijn van de vijf meisjes van de B-Divisie. Beide zoons beginnen een speurtocht door kastjes en laatjes. Terwijl ze weer in slaap wegzinkt, zegt Fred: „Ma verstopt vaak dingen en weet dan niet meer waar ze het gelaten heeft.”

    • Frank Vermeulen