Niet-wit zijn in IJsland

De Verslaggever

Migranten zijn intens tevreden over IJsland, merkt redacteur Maral Noshad Sharifi. Ze noemen het land ‘het paradijs’. Maar niet iedereen ziet het zo.

Foto’s van IJslandse kinderen, Dialoogproject van Anne Leoniak en Fiann Paul. foto Imageselect

Pas na dag drie in Reykjavik valt het me op: ik word aangesproken in het IJslands. Mijn onwennig multiculturele Nederland benadert mij regelmatig in het Engels, óók buiten Amsterdam. Zelfs als ik in het Nederlands antwoord. Maar in het blauwogige, witte IJsland zien ze mij als mogelijk een van hen.

Ik fiets naar de plaatselijke moskee voor meer duiding. De schoenen zijn uit, Redouane, een van de ongeveer 3.000 moslims in het land, staat in de deuropening. Toen hij in 1989 als Marokkaanse student naar Reykjavik kwam, moest hij een IJslandse naam nemen. Ze hebben hier een lijst met namen waar je, ook bij de geboorte van een kind, uit moet kiezen. Redouane stond daar niet op, hij veranderde zijn naam naar Adam. „Ik viel op vanwege mijn krullen”, zegt hij. „Ze zagen mij op straat en zeiden: Hé hoe gaat het? Waar kom je vandaan? Kom je bij ons eten vanavond?” IJslanders zijn warm, zegt hij. „Ze zien de wereld als een mooie plek.”

Mijn onwennig multiculturele Nederland benadert mij vaak in het Engels, óók buiten Amsterdam

Op straat, in het park, overal waar ik de dagen erna kom, vraag ik ‘nieuwe’ IJslanders naar hun ervaringen als immigrant.

De Pakistaans-IJslandse restauranteigenaar Badar woont hier zeven jaar met zijn familie en noemt IJsland „het paradijs”. Goed onderwijs voor zijn kinderen, veilige straten, de mensen zijn eerlijk en beleefd. „Omdat ik nu tussen IJslanders leef, ben ik ook een beter mens geworden.”

Bijzonder positief

Peter Santos (26), uit Zuid-Soedan, kom ik tegen net buiten de imposante kerk Hallgrimskirkja. Hij werkte voor de Verenigde Naties, studeerde in China en zat eerder een tijdje in Zürich. Hij heeft in IJsland asiel aangevraagd. „Het lijkt wel alsof ze blij zijn wanneer hier nieuwe mensen komen”, zegt hij over het dunbevolkte land met zo’n 338.000 inwoners. IJslanders zien hem als hun broeder, denkt hij. „Ik werkte nog maar net in een restaurant en vertelde mijn nieuwe baas dat ik op zoek was naar een huis. Zonder na te denken zei ze: ‘Je kan bij mij wonen totdat je iets gevonden hebt.’” Ze kenden elkaar een paar dagen. Santos was stomverbaasd. In andere landen zijn mensen altijd te „busy, busy, busy”, om een ander te helpen, zegt Santos.

Stuk voor stuk zijn de mensen die ik spreek bijzonder positief over IJsland. Ze hebben één ding gemeen: voordat ze hier naartoe kwamen, hadden ze het ergens anders slechter. Maar wat nou als je geen andere samenleving kent dan de IJslandse én niet wit bent?

Via een kennis ontmoet ik de zusjes Vala en Kristin. Op het kantoor van hun vader zitten ze naast elkaar op een stoel, met tussen hen in een springerige puppy die veel aandacht vergt. De vijftienjarige meisjes zijn geboren in Nigeria, toen ze elf maanden oud waren werden ze geadopteerd door hun IJslandse vaders. „Toen mijn Snapchat nog openbaar was, kreeg ik veel racistische reacties van IJslanders in m’n inbox”, zegt Vala. Leeftijdsgenoten stuurden hun privéberichten als ‘Neger ga terug naar Nigeria’.

Ze zijn de enige zwarte scholieren op een school met zo’n vierhonderd leerlingen. Geen kapper in de buurt die kroeshaar knipt, geen betaalbare haarspulletjes of foundation met hun huidskleur, zeggen ze. Geen besloten Facebookgroep met andere zwarte IJslanders, bij wie ze af en toe hun hart mogen luchten. „Op vakantie in New York voelde ik me veel normaler. Soms zou ik daar liever wonen, maar ja, daar heb je weer shootings en Trump.”

Het n-woord

De meisjes zijn blij dat ze geen wit broertje of zusje hebben. „Dan zou die gepest worden vanwege ons.”

Op school hadden ze laatst een discussie over het n-woord. Mogen hun klasgenoten dat woord meezingen in liedjes? „Het was de klas tegen ons twee”, zegt Kristin. „Niemand begreep waarom dat woord niet kan. Het woord betekent niets voor hen.”

Ze begint te huilen. Dat was ze niet van plan, zegt ze. Haar tranen lopen langzaam over haar wangen. „Het ergste vind ik dat ze niet openstaan voor onze ervaring, ze overwegen dat niet eens.”

Vala en Kristin worden altijd in het IJslands aangesproken op straat, maar niemand die hun ervaringen begrijpt. Hun witte vaders? Die dan nog het meest. „Ze vallen op mannen, zij begrijpen wat discriminatie is.”

Vala gaat verder: „Ik denk niet dat IJslanders racistisch zijn, maar gewoon onwetend over racisme. Ze moeten onderwezen worden.” De schooldirecteur heeft nu beloofd dat iemand op school les komt geven over racisme. „Ik ben nu al bang dat dat een witte man is.”

    • Maral Noshad Sharifi