Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Kaaswafeltjes

Zelden heb ik me zo gelukkig gevoeld als gisteren na een bezoek aan de Albert Heijn XL te Zaandam. Die constatering was vreemd. Het voelde vies, als iets wat eigenlijk niet mag. „Wat is het toch een geweldige winkel”, fluisterde ik op de bank tegen de vriendin, we beseften dat we deze ervaring met weinig anderen zouden kunnen delen. Later dacht ik dat het door een gebrek aan prikkels kwam: we hebben in korte tijd veel kind gekregen, zijn verhuisd naar een dorp in de polder en gaan dit jaar niet op vakantie.

De Albert Heijn XL staat er nog niet zo lang en ziet er van buiten niet bijzonder uit, misschien dat hij daarom nog zo onontdekt is. Het begon al toen we met z’n vieren vanaf het parkeerdek met een majestueuze roltrap de winkel binnenzoefden. Daarna die enorme bak ruimte. Brede gangpaden, prettig licht, enorm veel keuze en overal personeel dat van gekkigheid niet wist hoe klantvriendelijk ze moesten doen.

Alsof we een verlaten attractiepark, of een vreemde stad waren binnengelopen. Geen andere mensen, vooral dat.

De verhouding klant-werknemers was er compleet scheef, helemaal niet zoals we het bedrijf Ahold uit de media kennen. Werknemers die ‘sorry, meneer’ zeiden omdat ze dachten dat ze je hinderden in je winkelbeleving terwijl ik best begrijp dat je op een krukje in een gangpad gaat zitten.

In die omgekeerde wereld miste ik in het schap ‘kaassnacks’ de kaaswafeltjes. Ik vroeg het aan de eerste beste, toevallig een leidinggevende. Hij pakte zijn portofoon.

„Richard?! Hallo…”

- „Ja Bas…” (of baas, dat kan ook)

„Ik zie geen kaaswafels, huismerk. Hoe kan dat?”

- „(…) Euh”

„Check het!”

Ik stelde me zo voor dat in het magazijn paniek was uitgebroken, maar ik hoefde me niet druk te maken dat het even duurde, zelfs dat werd voor me gedaan.

De vriendin had ondertussen de hele kar volgegooid met Pampers en andere aanbiedingen. Ze zwaaide of ik ook naar de kassa kwam.

Mijn zaakwaarnemer wilde al voor me roepen dat het niet lang meer ging duren, maar ik zei hem zijn mond te houden omdat kaaswafels voor haar minder belangrijk zijn.

Er zaten vier caissières werkloos op ons te wachten, we kozen de dichtstbijzijnde.

Toen we afgerekend hadden kwam de man die over de kaaswafels ging naar me toe. Hij zei: „Er zijn geen kaaswafeltjes, mag ik u een kop koffie aanbieden?”

De belachelijke zin ‘Er zijn geen kaaswafeltjes, mag ik u een kop koffie aanbieden?’ bleef maar door mijn hoofd spoken, ik had ‘ja’ moeten zeggen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen