Foto Lars van den Brink

‘Jij was wel echt the man, Humberto’

Zomeravondgesprek Twee ‘Bijlmerboys’: talkshowpresentator Humberto Tan en schrijver Murat Isik. Beiden zijn de wijk dankbaar, zij het om heel verschillende redenen. „De vraag ‘wat wil ik’ heb ik mezelf nooit gesteld.”

Kansberekening en erfelijkheidsleer. Dat waren de enige formules bij wiskunde en biologie die géén buitenaardse tekens vormden voor Humberto Tan, vertelt hij op het terras van een strandtent in Bergen. „Ik vond het afschuwelijk”, zegt hij, „maar ik was er wel goed in.”

Tegenover hem zit Murat Isik – ook geen ster in wiskunde – die dit jaar de Libris LiteratuurPrijs won, met zijn tweede roman Wees onzichtbaar. Over een Turkse jongen die opgroeit in de Bijlmer, met een tirannieke vader. Geen autobiografie. Maar het verhaal vertoont wel sterke gelijkenissen met dat van hem.

Hoe groot is de kans dat twee ‘Bijlmerboys’, zoals ze zichzelf noemen, het schoppen tot gevierd tv-presentator en schrijver? In hoeverre heb je je succes in eigen hand en hangt het samen met waar je vandaan komt?

Maar eerst een drankje. „Ik vond je boek prachtig”, zegt Tan. „Een familie-epos waarbij je wordt meegenomen in het hoofd en hart van een jonge man, met al zijn twijfels.”

„Dank je”, zegt Isik.

„En dan die angst voor de Cito-toets van de hoofdpersoon”, zegt Tan. „En dat de meester dan zegt dat je het een kind niet te moeilijk moet maken en een mavo-advies geeft. Laat die kinderen dat zelf bepalen!”

„Altijd die lage verwachtingen”, zegt Isik.

„Ik houd niet van die mentaliteit”, zegt Tan. „Neem de sport. Veel mensen zeggen: zielig dat die jongetjes zo veel moeten trainen. Maar die jongens willen niet anders! Niemand hoeft hun te vertellen dat hun kansen klein zijn, dat weten ze zelf ook wel. Je zou ook tegen een kind kunnen zeggen: wat bijzonder dat je een droom hebt.”

We zijn naar het strand gereden in de luxe Audi van Tan, een SUV. „Liever met de auto”, zei hij toen we vroegen of hij van het hotel naar het strand wilde fietsen; een tocht van dertig minuten. „Anders komen we bezweet aan, dat is niet handig voor de foto.”

Tan en Isik zitten voorin, aan de achterkant van hun stoelen hangen tv-schermpjes. Het spelletje Fortnite is er voor het laatst op gespeeld.

„Ik twijfelde tussen geschiedenis, Europese studies en rechten”, zegt Tan.

„Ongelofelijk! Daar twijfelde ik ook tussen.”

Tan: „Toen ik naar tv ging, vroeg mijn moeder: is advocaat niet wat zekerder? Ze wist dat de mediawereld hard zou zijn voor een donkere jongen, in die tijd had je alleen Noraly Beyer. En ik realiseerde me heel goed: als ik het verpest, verpest ik het voor heel veel Surinaamse Nederlanders.”

Hij hield het werk als jurist uiteindelijk acht maanden vol. „Mijn slechtste vak was formeel strafrecht.” 

Isik: „Ik had een vijf voor staats- en bestuursrecht.”

Desondanks zegde Isik zijn baan als jurist bij de gemeente Amsterdam pas na veertien jaar op. Dat was vorig jaar; sindsdien is hij fulltime schrijver. En sindsdien stapelt de voorspoed zich op: de Libris Prijs, de Boekhandelsprijs, NRC Boek van het jaar, schrijver van het Boekenweekessay 2019.

Dit is de slechtste periode in mijn 25-jarige televisiecarrière

Humberto Tan

„Jij zit nu op het punt in je carrière waar ik in 2016 zat”, zegt Tan, als we ons in de strandtent hebben geïnstalleerd. Dat jaar won hij zijn tweede Zilveren Televisier-Ster voor RTL Late Night en de Sonja Barend Award voor zijn interview met overlevenden van de aanslag op de Parijse concertzaal Bataclan. Begin dit jaar kreeg hij te horen dat hij als presentator moet vertrekken. De kijkcijfers daalden te hard.

„Dit is de slechtste periode in mijn 25-jarige televisiecarrière”, zegt hij.

Isik, met een bescheiden lach: „Ik weet dat het niet altijd zo omhoog kan blijven gaan.”

Tan: „Er is veel prestigeverlies, veel pijn. Een les in nederigheid. Het gevoel dat ik anders gedaan had kunnen hebben – dat knaagt.”

„Je hebt het toch heel goed gedaan?”, zegt Isik. „Meer dan duizend afleveringen, veel kijkers. Pauw en Jinek zijn minder formeel geworden, dat is jouw invloed geweest.”

Tan: „Ik ben verantwoordelijk. En niet alleen als de prijzen binnenkomen. De ochtend dat ik het moest vertellen aan het team vond ik extreem zwaar. Je moet tegen mensen zeggen dat ze misschien hun werk kwijt zijn. Ik heb mijn verontschuldigingen aangeboden.”

Zelf geloofde hij nog dat het tij te keren was. „Maar kijkers hebben altijd gelijk”, zegt hij beslist. „Ze bepalen je toekomst. Filosofisch discussiëren over wat goed is of slecht, daar heb je weinig aan.”

Voor de foto’s gaan ze de duinen in. En de zee, al heeft Isik geen korte broek aan. Tan maakt een filmpje voor zijn bijna 350.000 volgers op Instagram. Zijn camera op selfiemodus, achter hem Isik en de fotograaf.

Foto Lars van den Brink

Acht uur aan tafel. „Hé”, zegt Isik, „je hebt je helemaal omgekleed.” Tan heeft zijn korte broek en T-shirt omgeruild voor een overhemd en een jasje, Isik draagt nog steeds dezelfde polo. „Ik heb wel gewoon een spijkerbroek aan, hoor”, zegt Tan.

We zitten in een aparte ruimte van het drukke restaurant, waar geen blik of flits Tan kan achtervolgen. „Fijn”, zegt hij. Even geen stiekeme foto’s.

Als we aan tafel zitten, vraagt Tan aan Isik: ben je er gekomen ondanks of dankzij de Bijlmer?

Isik zegt: dankzij. „Ik ben schatplichtig aan die wijk. De Libris heb ik opgedragen aan de Bijlmer.”

Zou hij er ook gekomen zijn als hij in Coevorden was opgegroeid, vraagt Tan.

„Ik vraag het me af. De Bijlmer is een unieke, roemruchte wijk. Het voelt als een overwinning dat ik zo’n prijs heb gewonnen: op vooroordelen, op onderschatting, op er niet bij horen. Het is doping voor het leven.”

Isik woonde in de Bijlmer met zijn ouders en zus in de flat Fleerde, de enige Turken in een zwarte wijk. Zijn familie was alevitisch en Zaza – een volk in Turkije dat van oorsprong uit Perzië komt. Zijn vader was geen moslim, maar atheïst én communist. „Wij waren een minderheid van een minderheid van een minderheid.” Zijn blik als buitenstaander, „de blik van een schrijver”, is daar gevormd, denkt Isik. Pas op de universiteit, toen hij de Bijlmerperiode „van zich af kon werpen”, voelde hij zich onderdeel van een groep. Daar kon hij opnieuw beginnen.

Tan groeide op in de flat Grubbehoeve in de Bijlmer, op twintig minuten lopen van Isik. Zijn moeder was daar na twee gestrande huwelijken vanuit Suriname naartoe verhuisd, Tan was drie jaar. Ze werkte hard en kreeg weinig salaris. „We aten geregeld corned beef uit blik met rijst, en als de tandpasta op was, gebruikten we een beetje Sunlight-zeep.” De Bijlmer was hard, zegt Tan. In de metro zag hij hoe jongens van hun schoenen werden beroofd, van berichten over steekpartijen keek niemand op. Maar hij had er vooral een „waanzinnige tijd”. Voetballen met de jongens uit de buurt in de binnenstraten, en onder de bruggen als het regende. „Er waren grasvelden zonder hondenpoep.”

„Ik heb er niet zo bij stilgestaan”, zegt Tan, „maar jij had het moeilijker dan ik. Als ik de metro pakte of bus 55 of 56, dan was ik weer thuis. Er waren heel veel mensen op wie ik leek, veel Surinamers. Ik snapte wat ik zag, wat ik rook. Ik snapte die wijk en die wijk snapte mij.” Hij weet niet of hij er was gekomen als hij in Coevorden was opgegroeid.

Om vier uur ’s ochtends opstaan

Onlangs was hij in Lesotho om te fotograferen. „Toen dacht ik: als ik hier geboren zou zijn, welk talent zou ik dan hebben? Het talent dat ik nu heb, is daar nutteloos.”

„Met een beetje pech”, zegt Isik, „was ik geboren in Oost-Turkije, in het dorp van mijn ouders, zonder stromend water en elektriciteit. Als de aardbeving waarvoor zij naar Izmir vertrokken er niet was geweest, dan was ik misschien herder geworden.”

Hij heeft geluk gehad, wil hij maar zeggen. „Wat Humberto zegt klopt: in Nederland heb je veel kansen. Je moet ze alleen wel pakken en soms moet je ook slikken.” Hij weet dat er ook Turkse en Marokkaanse jongens zijn die zeggen: hoezo kansen? „Zij zijn hier geboren, ze hebben een heel ander verhaal. Maar dit is mijn verhaal. En ik heb me altijd bevoorrecht gevoeld ten opzichte van mijn familie in Turkije.”

Tan vertelt over een vmbo-school waar hij eens was om een praatje te houden. „Er zat een jongen met een pet op, onderuitgezakt. Hij zei: u heeft makkelijk praten met uw dikke auto. Ik zei: ik zal je vertellen hoe ik daaraan kom. Ik zat thuis op de bank, er werd aangebeld, mijn moeder deed open, iemand gaf de sleutels.”

Een klap op tafel. „Nee, natuurlijk niet! Wat denk je zelf? Om ergens te komen, moet je je afvragen of je bereid bent om vijf dagen per week om vier uur ’s ochtends op te staan, zoals ik voor BNR en radio 538 deed. En dan niet één week, maar jarenlang, terwijl je door iedereen neergesabeld kan worden. En dan, dan heb je káns op succes. Geen garantie. Het enige wat je kunt doen, is die kans vergroten.”

Foto Lars van den Brink

De wijn wordt bijgeschonken, het gesprek komt op hun moeders. „Zonder haar was ik niet geweest waar ik nu ben”, zegt Isik. „Zij was mijn motivatie. Op de middelbare school ging het slecht, het voelde als een strafkamp. Leraren twijfelden aan me, ik werd gepest. Maar ik moest doorzetten, anders zou ik mislukken en zou ik mijn moeder nog verdrietiger maken.”

Tan: „Mijn moeder is heel belangrijk geweest. Ze was alleenstaand, met vier kinderen, in een nieuw land. ’s Ochtends om half 8 ging ze de deur uit, ’s avonds om half 8 kwam ze terug. Ze zei: ellende komt vanzelf op je af, jij moet het leven aangenaam maken. Je moet het goed regelen voor jezelf, niemand anders gaat dat voor je doen.”

Tans moeder zette zich in voor alleenstaande vrouwen in de Bijlmer. „Die kregen destijds cursussen breien en naaien. Mijn moeder zei: wat heb je daaraan? Leer ze liever solliciteren, leer ze een vak. Ze wilde ‘empoweren’, zo noemde ze dat toen al.” Ze overleed in 2005, vijf jaar later kreeg ze een eigen plein: het Hilly Axwijkplantsoen. Vlak bij het ouderlijk huis, in de G-buurt.

Isik vertelt over een schoolreisje naar het Van Gogh Museum. „De rondleidster zei: jammer dat er geen Nederlandse kinderen bij zijn, die hadden vast een schilderij bij naam kunnen noemen. Ik kende De aardappeleters, maar dat durfde ik niet te zeggen. Ik was bang dat het niet meetelde omdat ik het van het Jeugdjournaal wist.”

„Ik vermoed dat ik assertiever was”, zegt Tan, op rustige toon. Hij vertelt dat hij een keer werd gepest door jongens die zeiden dat hij geen vader had. „Op advies van mijn moeder ben ik teruggegaan en ik heb gezegd: ‘Jullie zijn dom, iedereen heeft een vader, de mijne woont alleen in Suriname.’”

„Jij was daar verder in”, zegt Isik.

„Ik had zo veel zelfvertrouwen dat ik op school met twee vriendjes een snoepclub startte en zelf penningmeester werd, zodat ik korting kon regelen op trekdrop.”

„Als je je comfortabel voelt”, zegt Isik, „dan stap je naar voren. Ik hield me klein. De vraag ‘wat wil ik’ heb ik mezelf toen nooit gesteld.”

„Dat komt ook door mijn moeder”, zegt Tan. „Ze was heel assertief. Een keer werd ze op school aangesproken omdat ze niet was komen helpen met de klas schoonmaken. Ze zei: waar heb je het over? Ik werk, kook, zorg voor de kinderen; vraag dat iemand die niet werkt.

„En bij de groenteboer bestelde ze zonder aarzeling een kilo ‘bacoven’. Die verbeterde haar: ze bedoelde zeker bananen? Dan zei ze: ‘Groeien ze in jouw land of het mijne?’”

„Dat is ook cultuur”, zegt Isik. „Surinaamse vrouwen zijn vaak sterke vrouwen. Mijn moeder was dat op haar manier ook, maar ze was veel meer een pleaser. Wees bescheiden en zoek verbinding, dat was haar advies.”

Je moet je ergens in vastbijten. Dan is er veel mogelijk

Murat Isik

De moeder van Isik, zo schrijft hij in zijn boek, verzette zich steeds meer tegen zijn dominante, ontsporende vader. Ze leerde Nederlands en zocht een baantje, zodat ze niet langer afhankelijk was van zijn geld – geld dat hij geregeld in de stad verbraste.

„Ik voelde dat hij veel dingen deed die niet bij een vader horen”, zegt Isik. „Een keer realiseerde ik me dat ik hem al heel lang geen ‘papa’ meer had genoemd. Ik dacht: als ik nu opeens ‘papa’ zeg, dan valt het op.”

Tan: „Superherkenbaar. Ik heb nooit ‘papa’ gezegd. Ik wachtte tot er oogcontact was en dan vroeg ik: wil je ook wat drinken?”

Tan zag zijn vader voor het eerst toen hij twaalf was. „Hij kwam op bezoek in Nederland, we gingen naar Madame Tussauds. Ik dacht: wat lijk jij op mijn broer. Laatst kreeg ik zelf een wassen beeld. Toen moest ik daaraan denken.”

Isik is sinds vorig jaar zelf vader. Was hij bang dat de geschiedenis zich zou herhalen? Nooit, antwoordt hij. „Ik ben zo’n andere man dan hij. Zo’n vader zal ik niet worden.”

Tan: „Bij mijn eerste kindje dacht ik juist: wat heftig dat mijn vader dit zo snel heeft kunnen achterlaten.”

Alleen maar veren in je reet

De moeder, de vrouw. Het thema van de Boekenweek 2019. Isik mag het Boekenweekessay schrijven. Huh, was de reactie van driehonderd auteurs in een in NRC geplaatste open brief.

„De keuze had ook op een vrouw kunnen vallen”, zegt Isik. „Misschien had dat meer voor de hand gelegen. Ik vind ook dat mannelijke en vrouwelijke stemmen in evenwicht moeten zijn in de literatuur.” 

Tan: „Toen ik die brief las, dacht ik: even serieus? Ik vind het helemaal niet gek dat Murat gevraagd is, gezien zijn verhaal. Hij schrijft over sterke moeders.”

Isik: „En auteurs met een niet-westerse achtergrond hebben nou ook niet bepaald een bevoorrechte positie in de Nederlandse literatuur.”

Tan: „Misschien moeten die critici gewoon even het boek afwachten, voordat ze er allemaal vooroordelen op loslaten.”

Isik: „Dat vond ik het gekke aan die discussie. Ineens werd ik gezien als ‘witte man’, terwijl ik altijd de onderschatte jongen was uit de Bijlmer. Ik heb er nooit echt bij gehoord in Nederland, maar opeens ben ik privileged.”

Ook de Libris Literatuur Prijs had Isik volgens sommigen niet verdiend. NRC noemde zijn winst „verrassend”, de roman zou „stilistisch zwabberen”.

„Niemand had verwacht dat ik de Libris zou winnen”, zegt hij. „Iedereen had het over Tommy Wieringa en Martin Michael Driessen. Het is heel lekker als je hem dan toch pakt.” Ook omdat hij nu een voorbeeld is voor andere jongeren met een gekleurde achtergrond, zegt hij: „Zij zien: het kan wél.”

Vindt hij die kritiek moeilijk? „Dit hoort er voortaan bij. Als debutant krijg je alleen maar veren in je reet. Dan ben je geen bedreiging voor andere auteurs. Na zo’n grote prijs wordt de sfeer heel anders.”

Foto Lars van den Brink
Foto Lars van den Brink

Tan: „‘Wanneer stopt de lijdensweg van Humberto?’, schreef het Algemeen Dagblad in januari. Terwijl de stemming heel anders was toen we net met RTL Late Night begonnen. Toen had de NPO het moeilijk en waren er idiote artikelen: 20-0 voor Humberto.”

Isik: „Waar ging het mis?”

„Concurrentie van internet, ontwikkeling bij Jinek en Pauw, verzadiging van het programma, reuring in mijn privéleven.”

„Je was wel echt the man”, zegt Isik bemoedigend. „Het is history hoor, wat jij hebt neergezet. Tv-geschiedenis. Dat is niet te overtreffen.”

„Mensen zeggen dat ik niet kritisch ben”, zegt Tan. „Maar mijn doelstelling is altijd geweest om informatie te halen, en niet om te scoren. Ik zeg altijd: welke vraag heb ik dan gemist?”

„Dat is een goede”, zegt Isik.

„Ze zeggen dat het programma te licht zou zijn. Maar het ging vaak genoeg over leven of dood, dat noem ik niet licht. En voor een deel waren er misschien te veel RTL-gasten, maar bij de NPO worden ook NPO-mensen uitgenodigd. Dat is alleen diverser.”

Isik: „Ik heb ook wel eens gedacht hoor, wéér Jan Smit. Dan zapte ik weg.”

„Dat was misschien te veel.”

„Je hebt enorm gepiekt, het kan niet altijd zo goed blijven gaan.”

„Een teken aan de wand was misschien dat RTL mijn sidekick Luuk Ikink wel heel makkelijk weghaalde. Ik hoorde het toen ik terugkwam uit Brazilië: Luuk gaat naar Boulevard. Het was een mededeling.”

Tan vertelt dat hij in de vijfde klas van het vwo een opstel schreef over de Amerikaanse soaps Dallas en Dynasty. „Er werd op neergekeken, dat vond ik zo’n flauwekul. Dat er met zo’n dédain werd gesproken over een programma dat niet alleen goed bekeken werd, maar waar ook nog eens over werd gepraat.” Het komende jaar presenteert hij bij RTL de programma’s Dance Dance Dance en Holland’s Got Talent. Hij heeft drie jaar bijgetekend.

„Dat is wel een grote show toch?”, zegt Isik. „Zaterdagavond?”

Gebrek aan autonomie

Bij de thee gaat het over de carrière van Isik bij de gemeente Amsterdam. Waarom bleef hij daar zo lang werken, terwijl hij in de avonduren zijn boeken schreef?

Isik: „Dat is mijn vermogen om af te zien. Ik wachtte ook op mijn tweede roman.”

Is dat een vermogen? „Misschien ook een gebrek aan autonomie. Als je altijd een missie hebt gekregen van je ouders – doe het goed op school, ga studeren – dan geef je jezelf als die missie eenmaal volbracht is een nieuwe opdracht.”

De kantoortuin waarin hij zat noemt hij „verschrikkelijk”. Eindeloos vergaderen, onderlinge intriges, geroddel. De bureaucratie: „Wilde je een bezwaar indienen, dan moest je eerst een formulier invullen en dan als loopjongen door het hele gebouw op jacht naar parafen.”

Hij slaat zijn handen voor zijn gezicht. „Ik moest bezwaarschriften tegen beschikkingen beoordelen…”

„Is het überhaupt een beschikking”, valt Tan in, op mechanische toon.

Isik: „Is het tijdig ingediend? Zijn er gronden? Is het ondertekend? Al na één jaar als jurist, ik was 25, dacht ik: is dit het nou?”

Tan, met Surinaams accent: „Je viel in slaap. Zeg eerlijk.”

Je moet je vastbijten

Bij het ontbijt zegt Tan: „Ik vind het mooi te zien dat Murat en ik zoveel gemeen hebben. Rechten, de Bijlmer, onze moeders.”

„We hebben allebei een ongebruikelijk verhaal”, zegt Isik. „Er zal niet snel weer een Surinaamse presentator zijn die een talkshow krijgt op RTL, of een Turkse Nederlander die de Libris wint.”

Tan: „Ik zeg altijd: geluk is datgene dat je kunt pakken als je voorbereid bent. Het is niet alleen mazzel, je moet ook doorzetten.”

Isik: „Je moet je ergens in vastbijten. Dan is er veel mogelijk. Dat heb ik geleerd.”

Tan: „Hoe gaat die spreuk van Seneca ook alweer? ‘Als je niet weet naar welke haven je vaart, is elke wind ongunstig.’ Je moet een doel hebben, anders kom je nergens.”

    • Mirjam Remie
    • Doortje Smithuijsen