Recensie

Intellectuele reuzen over het geloof

Geloof en maatschappij De Duitse socioloog Hans Joas plaatst zichzelf in de traditie van Max Weber en Émile Durkheim met zijn studie naar de betekenis van religie en het heilige in onze samenleving.

Foto Istock

Met de publicatie van Die Macht des Heiligen zet de Duitse godsdienstwetenschapper Hans Joas (1948) zich rechtstreeks met sociologen als Émile Durkheim, Max Weber en andere grote denkers uiteen. De inzet van deze gedachtewisseling is zonder meer enorm. Het betreft de vraag welke betekenis we in de huidige samenleving moeten toekennen aan religie en geloofsleven.

Is het waar dat de ontwikkeling van een moderne maatschappij tot secularisatie leidt? Zijn religieuze tradities een legitimatie voor machtsuitoefening of vormen ze een bron van kritiek en zelfs verzet? Hoe kan het gesprek tussen gelovigen en ongelovigen vorm krijgen? En wat te denken van het geweld dat door fundamentalisten wordt gepleegd? Allemaal vragen die raken aan de manier waarop we ons de huidige wereld voorstellen en waarbij de meningen sterk uiteenlopen.

Nu komt deze thematiek bepaald niet uit de lucht vallen. De afgelopen twintig jaar ging het wereldnieuws regelmatig over de gespannen verhouding tussen geloof en politiek. Los daarvan is in academische kringen al enige tijd een debat gaande over de zogenaamde axiale tijd, het millennium dat in de vijfde eeuw voor onze jaartelling begon en waarin tal van levensbeschouwelijke tradities zoals het confucianisme, het boeddhisme, het christendom en de islam het licht zagen. Hoewel deze stromingen op vele punten verschillen en zelfs met elkaar in strijd lijken, hebben ze ook iets met elkaar gemeen. Ze veronderstellen namelijk dat er een sfeer van hogere spirituele of morele beginselen bestaat en ontwikkelen een taal waarin men over het heilige kan nadenken. Met dat onderzoeksveld zet Hans Joas zich al geruime tijd uiteen en het is daarom niet vreemd dat Die Macht des Heiligen een apart hoofdstuk telt waarin recente onderzoeksbevindingen gepresenteerd worden.

Archeologie

Niettemin volgt de auteur in de meeste hoofdstukken een andere werkwijze. Hij bedrijft een soort wetenschappelijke archeologie waarbij een geweldige massa aan literatuur wordt doorgewerkt om vast te stellen wat we als irrelevante ballast moeten weggooien en welke inzichten nog altijd hout snijden.

Gelukkig komen er na het verwijderen van die ballast ook verrassende ideeën aan het licht. Dat geldt bijvoorbeeld voor de theorie van Durkheim (1858-1917) over het belang van rituelen. Joas laat zien dat religieuze ervaringen vooral voortvloeien uit een vorm van collectief handelen en dat ze maar weinig van doen hebben met datgene wat het Westen, onder invloed van het protestantisme, als geloof is gaan zien en waarbij de nadruk op persoonlijke overtuigingen ligt.

Iemand anders die Joas onder het puin vandaan haalt is Ernst Troeltsch (1865-1923), een vrij onbekende socioloog die zich uitvoerig verdiepte in de geschiedenis van het christendom en daarbij de wisselwerking tussen sociale groepen en religieuze denkbeelden centraal stelde. Het nadeel van deze werkwijze is dat het behoorlijk lang duurt voordat de auteur met zijn eigen visie op de proppen komt. Daaraan vallen drie dingen op.

Ten eerste beschouwt Joas de vorming van nieuwe idealen als een daad van creativiteit. Beginselen als mensenrechten of menselijke waardigheid hebben niet altijd bestaan en ze vloeien ook niet automatisch voort uit de sociale omstandigheden. Het zijn morele uitvindingen en dat geldt evengoed voor idealen die al ouder zijn, zoals het streven naar verlichting in het boeddhisme of naastenliefde in het christendom. Tegelijkertijd kan men dergelijke beginselen nooit losmaken uit de maatschappelijke realiteit. Ze werken alleen wanneer ze worden omgezet in het praktisch handelen van individuen en instellingen.

Ten tweede blijkt dat mensen de meest uiteenlopende zaken heiligen. In het verre verleden kende men aan koningen een sacrale status toe. Men mocht ze niet aanraken en geloofde dat ze wonderen konden verrichten. Overigens bleef dat geloof tot in de moderne tijd bestaan, zoals de verheerlijking van politieke leiders als Hitler of Stalin illustreert. Het heilige kan evengoed een collectieve vorm aannemen. Dat gebeurt wanneer het volk of de natie zichzelf gaat verheerlijken, iets waarvoor Joas de term ‘Selbstsacralisierung’ reserveert en waarvan de risico’s hem niet ontgaan.

Dat uiteenlopende zaken als stammen, rituelen, kunst of morele beginselen het onderwerp kunnen worden van heiliging, betekent – ten derde – niet dat ze apolitiek worden. Joas stelt juist dat het heilige altijd bepaalde machtseffecten heeft. Mede daarom is de relatie tussen religie en politiek fundamenteel ambivalent. Voor alle grote religieuze tradities geldt dat ze voor het verdedigen van de bestaande machtsverhoudingen te gebruiken zijn, terwijl ze evengoed tot verzet of revolutie kunnen aanzetten. Dat wordt niet alleen door de geschiedenis van het christendom geïllustreerd maar ook door de huidige wereld waar de houding van moslims, hindoes, Joden en andere gelovigen tegenover de staat hoogst dubbelzinnig is.

Daarmee neemt Joas een uitgesproken standpunt in. Hij verzet zich tegen alle pogingen om de religieuze ervaring te herleiden tot iets anders zoals kinderlijke illusies (Freud), economische belangen (Marx), machtsuitoefening (Nietzsche) of de werking van ons brein (Dawkins). Voor hem is de omgang met het heilige een authentieke sfeer die al meerdere millennia deel uitmaakt van het menselijk bestaan en die vandaag de dag nog altijd relevant is – of althans zou kunnen zijn.

Marginale rol

Dit laatste raakt aan twee kritiekpunten die het boek oproept. Hans Joas maakt zonder meer aannemelijk dat er geen noodzakelijke samenhang bestaat tussen de moderne samenleving enerzijds en secularisatie anderzijds. Intussen is het wel zo dat christelijke kerken nog slechts een marginale rol spelen, dat een groot deel van de bevolking in West-Europa weinig met het sacrale heeft en dat we een publieke taal missen die helpt bij het articuleren van religieuze ervaringen.

Op dat gegeven gaat Die Macht des Heiligen vrijwel nergens is. Hoewel er heel wat empirische studies langskomen, behandelt Joas vooral teksten, begrippen en vooronderstellingen. Een voor de hand liggende vraag is welke delen van de bevolking daadwerkelijk ervaring hebben met het heilige, in welke omstandigheden dat gebeurt en hoe ze die ervaring uitdrukken. Maar die vraag lijkt de auteur niet te willen beantwoorden.

Een andere kritiek betreft de opzet en vormgeving van het boek. We zouden al gewaarschuwd moeten zijn wanneer een Duitse geleerde aankondigt dat hij zijn onderwerp zeer grondig wil aanpakken. Hans Joas overtreft alles wat ik op dit gebied gelezen heb. Hij bespreekt niet alleen denkers die vooraf gingen aan grootheden als Weber, Durkheim of Troeltsch maar ook schrijvers die weer aan hén vooraf gingen. Bijgevolg gaat het spoor van bepaalde discussies tot ver in de achttiende eeuw terug waarbij we het debat tot op het niveau van afzonderlijke zinnen kunnen volgen.

Een zo grondige aanpak lijkt me in deze tijd te veel gevraagd, zeker als men die vergelijkt met de stijl waarmee bijvoorbeeld Amerikaanse auteurs vaak de verbeelding van een breed publiek aanspreken. Slechts op een paar plaatsen staat Joas zichzelf het plezier van een vileine polemiek met vakgenoten toe. Hij richt zijn pijlen vooral op Jürgen Habermas, de intellectuele reus voor wie het rituele en het heilige slechts archaïsche elementen zijn die hij het liefst in klare taal zou oplossen. Dat nog altijd dominante programma heeft Joas met zijn boek in elk geval van stevig tegenvuur voorzien.

    • Gabriël van den Brink