Recensie

Wees onverschillig als een inktvis

Mens en natuur

Als we onverschillig waren als een inktvis zag de wereld er heel anders uit, schrijft de Britse filosoof Timothy Morton. Wanneer we ons anders zouden verhouden tot natuur dan volgt een minder exploiterende levenswijze vanzelf.

Een reuzeninktvis, behorend tot de pijlinktvissen. Vrouwtjes worden tot 13 meter lang. Beeld Vladimir Vitek/iStock

Als ergens dinosaurussen in figureren ben ik graag van de partij. Opgetogen zat ik in de bioscoop voor Jurassic World: Fallen Kingdom. Maar al snel was er niet veel over van de vrolijkheid, enerzijds te wijten aan een matig script, anderzijds omdat ik net Timothy Mortons nieuwe boek Ecologisch wezen had uitgelezen. Alsof Mortons denken opereerde als een 3D bril, spetterde van het scherm hoe diepgeworteld de culturele ideeën zijn die hij juist in zijn boek ontmantelt.

Een van die ideeën: dat alles wat wij mensen doen en maken slechter is dan wat de natuur doet en maakt. Dus: robots zijn eng, genetica is gevaarlijk. Maar weiden zijn lieflijk en de zee is vreedzaam. En deze romantische opvatting over wat natuur is, stelt Timothy Morton, is een van de zienswijzen die de mens in een houdgreep heeft. Want wat nu als we zouden zien dat we niet buiten de natuur staan als een soort alwetend oog, maar dat wijzelf onderdeel uitmaken van de natuur en de natuur zijn?

Toenemende kennis over de ernst van de gevolgen van klimaatverandering door menselijk handelen veroorzaakt grofweg twee reacties: we willen ze ontkennen of we worden lamgeslagen door schuldgevoelens. Beide zijn niet erg werkbaar in de praktijk. Als u nu ook heen en weer wordt geslingerd tussen deze uitersten biedt Mortons denken uitkomst: ‘Dit boek gaat over het omgaan met ecologische kennis.’ Wat hij beoogt is te laten zien dat hoe we over ecologie nadenken, bepaalt wat we denken.

Ecologische publicaties zijn een genre op zichzelf geworden met eigen wetten. Bij uitstek storten ze eindeloze hoeveelheden data over ons heen, denk Al Gore, denk infographics. Een genre zegt Morton, kun je zien als een mogelijkheidsruimte. Hij acht het de taak van menswetenschappers deze zichtbaar te maken. ‘Mogelijkheidsruimten die niet erg duidelijk voor ons zijn, kunnen allerlei soorten controle over ons uitoefenen, en mogelijk zijn we daarvan niet gediend […].’

Ecologische catastrofe

Wat nu als hoe we over ecologie nadenken ons ervan weerhoudt er werkelijk over na te denken? De lange lijsten feiten in ecologische publicaties houden ons weg bij het aanvaarden van diezelfde feiten. De omineuze feiten zijn wel degelijk kloppend, houdt Morton ons voor: we leven in een ecologische catastrofe, daarover bestaat geen twijfel. Maar zijn we, vraagt hij, niet beter geholpen met het accepteren van meer onzekerheid, in het algemeen en bij het ons informeren over ecologie? Want wat werkelijk waar is, is onzeker en onaf, stelt hij. Alles wat meent de waarheid in pacht te hebben kunnen we beter terzijde schuiven. Ook op het gebied van ecologie. Hij vergelijkt dit onzekere en niet-weten met liefde. ‘Liefde houdt in dat je de geliefde niet kunt doorgronden: dat is wat je voelt als je iets of iemand liefhebt.’ Zonder reden. Het alwetende, het zelfverzekerde is de dood in de pot. De natuurlijke aard der dingen ís onzeker.

Voor het eerst leven we in een geologisch tijdperk waarvan het beginjaar in onze jaartelling valt. Morton houdt het startpunt van het Antropoceen, dat ‘mensen een geofysische macht op planetaire schaal zijn geworden’ op 1945. Met onze uitstoot doen we de poolkappen smelten. Zou een tandje minder antropocentrisme dan niet al veel oplossen? Een inktvis zal zich niet gauw verheven voelen boven de andere soorten. De inktvis is daarentegen overwegend onverschillig.

Over de deugden van de onverschilligheid schrijft Morton hoopvol. Als wij onszelf iets minder belangrijk zouden maken zou dit alle levensvormen ten goede komen. Zijn ‘ecologisch bewustzijn ondermijnt ons geloof in het antropocentrische idee dat er één schaal is om alle wezens aan af te meten: de menselijke.’ Morton: ‘We zien graag zuivere, scherpe onderscheidingen tussen levende wezens: dat heet met reden ‘discriminatie. Maar het feit dat iets onderscheiden en verschillend is, betekent nog niet dat we het van onszelf kunnen onderscheiden op een ethische of ontologische manier.’

Enge robots

Dat onderscheid en de hiërarchie die we aanbrengen tussen onszelf en dat wat buiten ons ligt visualiseert hij in een begrip dat hij leent uit de robotica: de uncanny valley, vertaald als de ‘Enge Vallei’. Wat ons angst inboezemt, juist omdat het op ons lijkt, zoals daar zijn: dieren, vreemdelingen, robots, al dan niet humanoïde. Wij staan op een bergtop en in de vallei beneden houden we dat wat we vrezen. Morton vraagt: hoe steil zijn de wanden van jouw ‘Enge Vallei?’ En zouden we van die Vallei geen vlakte kunnen maken? Hij pleit voor een ‘Spookachtige Vlakte,’ waar we ons niet laten definiëren door de angst voor het herkenbare vreemde. Alle vormen van andersheid kunnen we naast elkaar laten bestaan op gelijke hoogte.

Hoe komen we nu weg van die menselijke neiging te overheersen? Een zekere onverschilligheid zou hier nog wel eens uitkomst kunnen bieden. ‘Onverschilligheid wijst misschien wel een weg naar een minder gewelddadige manier van zorg voor menselijke en niet-menselijke wezens. Gewoon door hen toe te staan te bestaan, [...], als een verhaal waarvoor je al dan niet waardering kunt hebben – en dat zonder reden.’

Zou ecologisch wezen zo makkelijk kunnen zijn? Moeten we niet handelen? Morton anticipeert: ‘Er is niets mis met een beetje aarzelen, nadenken en peinzen. Toch is anti-intellectualisme de hobby van …. de intellectueel. Aan het eind van milieuconferenties hoor je vaak de vraag: „Maar wat gaan we eraan doen?” Dit heeft te maken met het schuldgevoel dat ontstaat doordat je een paar dagen op stoelen hebt zitten denken en praten.’

Mortons boek toont dat denken en praten uitkomst biedt. Als we meer inzicht vergaren in hoe we kijken, verandert wat we zien in de werkelijkheid – het uitzicht zogezegd – uiteindelijk mee. ‘Je hoeft niet ecologisch te worden. Je bent het al.’

    • Hannah van Wieringen