‘Wie denkt: ah schattig!, houdt het hier niet vol’

Vrijwilligerswerk In het dierenopvangcentrum DOA in Amsterdam kan het maar zo gebeuren dat een klinisch geneticus samen met een Wajonger poep schept. „Wij maken hier geen onderscheid.”

Student Ewoud Labordus en gepensioneerd managementassistent Annette van der Graaff werken samen met de honden. Foto Cees Glastra van Loon

Poep scheppen, ramen lappen, dweilen, muren en vloeren schrobben: er zijn dagen bij dat je het liever niet doet. En toch zijn er zo’n driehonderd vrijwilligers die met regelmaat naar DOA (dierenopvang Amsterdam) komen om precies dát te doen.

In een groen gebouw aan de rand van een bedrijventerrein in de wijk Osdorp doen jongeren, artsen, chronisch zieken, gepensioneerden, managers, mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, studenten en journalisten – onder wie ondergetekende – allemaal hetzelfde werk. Ze maken de kennels schoon van de tweeduizend honden, katten en konijnen die DOA jaarlijks opvangt, omdat er afstand van ze is gedaan, omdat ze op straat zwierven of omdat ze in beslag zijn genomen.

Het ene moment werk je samen met een klinisch geneticus, een andere keer met een Wajonger. Alledaags is het niet – mensen van allerlei rangen en standen, die samen hetzelfde, soms vieze vrijwilligerswerk doen. Ieder met een eigen motivatie.

Nauwelijks hiërarchie

Bijzonder vindt Ewoud Labordus (23) uit Badhoevedorp vooral dat er nauwelijks hiërarchie is bij het dierenasiel. „Iedereen wordt gewaardeerd. Ik heb weleens bij een supermarkt gewerkt, daar deed de manager alsof de vakkenvullers niets wisten.”

De directeur van DOA, Hans Fokkens (52), herkent dit. „Ik heb eerder bestuurlijke functies bij maatschappelijke organisaties bekleed, zoals een streekziekenhuis, maar daar ging het er toch anders aan toe. Wij maken geen onderscheid in onze bejegening, wat iemands opleidingsniveau of achtergrond ook is. Iedereen krijgt het vertrouwen dat ze goed met de dieren zullen omgaan.”

Toch komt deze houding niet per se voort uit idealistische overwegingen. Het asiel heeft de vrijwilligers gewoon keihard nodig: tegenover de driehonderd vrijwilligers staan ‘slechts’ 35 vaste werknemers. „Je zou kunnen zeggen dat de medewerkers het skelet van de organisatie zijn en de vrijwilligers de spieren”, zegt Fokkens.

Labordus behaalde vorig jaar zijn bachelordiploma sociologie en heeft nu een ‘ik weet even niet wat ik met m’n leven moet’-jaar. „Ik zag het niet zitten om meteen een master te gaan doen, dus nu werk ik twee dagen per week als vrijwilliger bij DOA.” Wat hij er zo leuk aan vindt? „De werksfeer is prettig en iedereen staat klaar om je vragen te beantwoorden. Thuis laat ik het schoonmaken liever aan iemand anders over, maar hier doe ik het graag – het is in het belang van de dieren.”

De meeste vrijwilligers weten het dierenasiel zelf te vinden via de website of Facebook. Anderen, mensen met een ‘rugzakje’, worden aangemeld door een organisatie die ze helpt terug te keren in het werkende leven. Fokkens: „Hier krijgen ze een nieuw ritme en oefenen ze bijvoorbeeld met op tijd komen en er netjes uitzien.”

Een leuke mengelmoes

Vrijwilligster Annette van der Graaff (68) ervaart het asiel als een „leuke mengelmoes”, maar de Amsterdamse is ook kritisch. „Ik vind het goed dat hier mensen terecht kunnen die wat meer hulp nodig hebben, maar dan moet er ook begeleiding voor ze zijn. De medewerkers zelf zijn daar natuurlijk niet voor opgeleid.”

Laatst, zegt Van der Graaff, waren er bijvoorbeeld een paar vrijwilligers die per se naar een nestje met puppy’s wilden, terwijl die net lagen te slapen. „Dat moet je natuurlijk niet doen, dat vond de moederhond ook zichtbaar niet fijn. Wat meer toezicht zou op zulke momenten goed zijn.”

Voor Van der Graaff ging er na haar pensioen een lang gekoesterde wens in vervulling. „Ik wilde altijd al dierenverzorger worden, maar ik werd managementassistent in een ziekenhuis. Inmiddels werk ik hier bijna drie jaar als vrijwilliger.” ‘Niets’ doen als gepensioneerde was geen optie: „Na 42 jaar fulltime werken? Nee hoor. Ik wilde iets nuttigs blijven doen.” Overigens is Van der Graaff bij lange na niet de oudste vrijwilliger, vertelt directeur Fokkens – er is ook nog een dame van bijna 91. „Zij mest alleen geen hokken uit, maar helpt het archief op orde te brengen.”

Lees ook het Zomeravondgesprek met Kees Moeliker en Marijn Frank: ‘Mensen zijn wel even wat anders dan dieren’

Constantijn van der Klift (29) volgde speciaal onderwijs en deed een koksopleiding op een praktijkschool, maar ging uiteindelijk de bouw in. „In mijn vorige bedrijf gingen ze niet op een goede manier met mij om. Nu zit ik al drie jaar thuis met een Wajong-uitkering.” Via In2Work, een organisatie die mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan werk helpt, kwam Van Der Klift in aanraking met DOA. „Probeer het een tijdje vol te houden, zei mijn begeleider. Dat is gelukt, want ik ben er sinds januari één dag per week en ik heb het naar m’n zin. Als je eenmaal in een routine zit, is het schoonmaken ook niet zo erg. Je bent lekker bezig en doet het om de honden blij te maken.”

Al haalt niet iedereen voldoening uit het schoonmaken. Het is een „monomane bezigheid en ook niet echt gezellig”, vindt Guus Lachmeijer (51), klinisch geneticus bij het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. Ruim een jaar geleden meldde zij zich aan als vrijwilliger bij het dierenasiel. „Tijdens mijn werk ben ik vooral met mijn hoofd bezig. Ik hou van dieren en wilde ook graag iets met mijn handen doen.” Maar om nou zo ongezellig een kennel staan schoon te maken, dat was het toch óók niet. De dierenarts van DOA bood uitkomst: hij kon nog wel een paar extra handen gebruiken. En zo kwam ze al gauw weer naast een collega-arts te staan.

Wat het verloop van de vrijwilligers is, weet Fokkens niet precies. Maar „we merken wel dat mensen die ‘ah, schattig!’ denken, het niet lang volhouden. Het is best zwaar werk.”

In de koffiepauze zitten de gepensioneerden en de studenten door elkaar. Ze hebben elkaar misschien niet heel veel te vertellen, maar er is één verbindende factor: iedereen laat elkaar foto’s van zijn huisdieren zien.

    • Anna Krijger