Foto Simone Donati

Ooit topman bij ABN Amro, nu is Rijkman Groenink hobbyboer in Italië

Interview oud-topman Na zijn ongelukkige vertrek bij ABN Amro had hij geen idee wat hij ging doen. Nu is Rijkman Groenink hobbyboer én heeft hij twee koffieplantages in Ethiopië. „Een tweede kans bestaat niet in Nederland.”

Hij draagt een roze broek en heeft een zonnebril op, Rijkman Groenink ziet eruit alsof hij vakantie heeft. Hij zit met zijn gezin in Italië, op zijn land op de grens van Umbrië en Toscane. Het vervallen huis dat er stond heeft hij laten opknappen en er is een zwembad aangelegd. Maar officieel, legt Groenink uit, is dit geen vakantieverblijf. „Het is een bedríjf. Een boerenbedrijf.”

Vanaf de heuvel waar zijn huis op staat wijst hij aan wat er groeit. Verspreid over het land staan olijfbomen, Groenink moet even denken hoeveel het er zijn. „Ik schat duizend.” Op de akker achter de moestuin van zijn vrouw Irene waaiert Luzerne. „Daarnaast stond gerst, die is al geoogst.” Aan de noordkant van de heuvel staan twee veldjes met wijnranken. „Sangiovese en Montepulciano d’Abruzzo.” Groenink huurt mensen in om het land te bewerken. Als hij er is – hij woont in Nederland – boert hij zelf een beetje mee.

Binnen in een gekoelde ruimte staan zo’n twintig aardewerken vaten. „Etruskische amforen, daar worden de druiven in gegist.” Tegen de muur staan vier stalen containers om de wijn op te slaan. De eerste oogst is vorig jaar mislukt, vertelt Groenink. Winst maakt de boerderij nog niet. Vrolijk: „Maar daar gaat het ook niet om. Ik heb iets met boeren. Altijd al gehad. En ik kan niet stilzitten, daar ben ik veel te onrustig voor.”

Het leven van Rijkman Groenink (68) is compleet veranderd sinds zijn vertrek als bestuursvoorzitter van ABN Amro, ruim tien jaar geleden. Behalve hobbyboer in Italië is hij investeerder. Hij zit in energie, zowel fossiel als duurzaam, en in koffie. Naast een belang in een Nederlands koffiebedrijfje heeft hij eigen koffieplantages in Ethiopië. Dat laatste wordt steeds serieuzer. Hij had er al een, van 400 hectare, dit voorjaar is er een tweede plantage bij gekomen van dezelfde omvang.

‘Het was gewoon een zwart gat’

„Normaliter was ik gewoon klassiek vijf grote commissariaten gaan doen”, zegt Groenink. Maar dat zat er niet in. In 2007 hield het ABN Amro waar hij leiding aan gaf op te bestaan, het werd overgenomen en opgeknipt door drie buitenlandse banken. Groenink werd gezien als hoofdschuldige voor het debacle. En als een graaier, die met 26 miljoen euro vertrok, de opbrengst van de opties en aandelen die hij in zijn tijd bij de bank verzameld had.

Hierover heeft Groenink zich in eerdere interviews uitgesproken. Dit gesprek gaat over het leven na de bank.

Een paar dingen wist hij direct zeker. „Ik wilde geen groot bedrijf meer leiden, maar ik zou ook zeker niet worden gevraagd. En ik wist dat beursgenoteerde ondernemingen mij niet zouden vragen als commissaris. Niemand wilde zijn vingers branden.”

Een leven naast ABN Amro had Groenink niet, als topman werkte hij tachtig uur per week. „Ik heb altijd gevonden dat je de ambitie moet hebben om zo ver mogelijk te komen. Dus als ik moest kiezen: ga ik op vakantie of ga ik dit project afmaken? Dan ging ik dus niet op vakantie.” Zijn eigen vader was altijd thuis met het eten. „Hij was schoolarts, een hele overzichtelijke baan. Ik heb nooit begrepen dat hij niet de behoefte had om carrière te maken, dat vond ik raar. Het zette mij aan om wat ambitieuzer te zijn.”

Toen Groenink ineens thuis zat, had hij eigenlijk niets te doen. „Als je op een rustiger niveau opereert, kun je voorzitter zijn van de hockeyclub of de tennisclub. Hobbies uitleven. Als bestuursvoorzitter heb je daar geen tijd voor.” En anders dan wanneer je termijn gewoon afloopt, zag Groenink zijn vertrek niet al van verre aankomen. „Ik had nog helemaal niet nagedacht over daarna. Het was gewoon een zwart gat. Klaar. Punt.”

Er kwamen inderdaad geen telefoontjes. „Een tweede kans bestaat niet in Nederland.” Achteraf gezien is het heel goed geweest, zegt Groenink, dat hij zelf moest verzinnen wat hij ging doen. Al wil hij best toegeven dat hij één commissariaat bij een beursgenoteerd bedrijf toch leuk had gevonden. „Gewoon vanwege mijn ervaring, om mijn ervaring kwijt te kunnen. En het was toch ook iets van erkenning geweest. Ik ben ijdel genoeg om…” Hij maakt zijn zin niet af. „Dat had ik leuk gevonden.”

In de Quote 500

Zijn hele leven had Groenink in de financiële wereld gewerkt. „Maar dat was natuurlijk klaar, dicht.” Hij moest wat anders. „Ik was jaren relatiebankier geweest van grote energiebedrijven. BP, Exxon, een heleboel anderen. Ik heb altijd belangstelling gehad voor energie. Dus ik dacht: nou, ok. Vrij snel liep ik tegen mijn vriend Van Poecke aan” – investeerder Marcel van Poecke, een oude kennis uit de energiewereld – „en kwam het gesprek op gang.”

Lees ook: dit dubbelinterview met Rijkman Groenink en Greenpeace-activiste Faiza Oulahsen. „Waarom stop je je geld niet volledig in duurzaam”, wil zij weten.

Aanvankelijk stapte het duo alleen in duurzame energie: windmolens, duurzame bosbouw, zonne-energie. Niet veel later, in 2009, namen ze een belang in een olie- en gasbedrijf, Oranje-Nassau. „Dat is natuurlijk helemaal niet duurzaam. Wél heel bruikbaar. Luister eens, niemand kan zonder fossiele brandstoffen, in nog geen jaren. Ik zit aan beide kanten.” Twee van zijn duurzame investeringen zijn failliet gegaan, maar Groenink heeft nog altijd een belang in EWT, een windmolenfabrikant uit Amersfoort. „Oranje-Nassau is een absoluut succes. EWT nog niet. Helaas, ik zou bijna willen dat het omgekeerd was.”

Mensen denken soms dat hij zijn vermogen heeft verveelvoudigd, merkt Groenink. „Die denken: oh, hij heeft zoveel miljoen gekregen. Keer vijf… Nou!” In 2015 haalde hij tot zijn stomme verbazing de Quote 500. „Stond ik ineens op de vijfhonderdste plek met iets van 40 miljoen.” Groenink schatert. „Ik wou dat het waar was! Klopt van geen kant!” Hij heeft „maar een deel” van zijn geld geïnvesteerd – hoeveel wil hij niet zeggen. „Dat gaat goed, dat is wel een paar keer meer geworden, maar ik ben natuurlijk maar een kleine krabbelaar.”

Foto Simone Donati

Door het oerwoud

Dit voorjaar was Groenink in Ethiopië voor zijn tweede koffieplantage. Het stuk land had hij al op het oog en de Ethiopische overheid had toestemming gegeven, alleen de inwoners van het dorp vlakbij moesten nog akkoord gaan. „We moesten door het oerwoud om er te komen, er is daar geen weg. Het is opener dan je zou denken hoor, je hoeft niet met je kapmes door de lianen heen te hakken.” Twee agenten vergezelden hem. „Die liepen voor en achter mij. Van mij hoefde dat niet, dat deden ze gewoon. Maar de sfeer was heel gemoedelijk.”

Eenmaal in het dorp legde Groeninks Ethiopische zakenpartner uit wat ze van plan zijn, én wat het dorp daaraan heeft. „Er komt werkgelegenheid. Plus: we gaan een weg maken en een waterput slaan.” Kleine koffieboeren in de buurt profiteren ook: de plantage gaat hun oogst opkopen voor 20 procent boven de lokale marktprijs. „Nou, toen hebben ze allemaal hun handtekening op een papiertje gezet.”

De overstap naar koffie maakte hij toen zijn energiemaatje Van Poecke in 2013 voor Carlyle aan de slag ging, een Amerikaans private-equityfirma. „Toen moest ik weer iets nieuws bedenken.” Met koffie had hij niets. „Toevallig liep ik een oude kennis van de bank tegen het lijf, die zat in Moyee Coffee.” Een beginnend bedrijfje, zo vertelde de kennis, dat ‘fair chain’ koffie ging verkopen uit Ethiopië. „Ik zei: ‘Dat vind ik ontzéttend interessant.’” Groenink werd de op een na grootste aandeelhouder.

Van het een kwam het ander en in 2015 nam hij, los van Moyee Coffee, een verwaarloosde koffieplantage over, samen met een Ethopische partner en een paar vrienden uit Nederland. „Alles houtje touwtje. Er was geen water en geen elektriciteit, alleen twee afgeragde trekkers. Ik heb een goede jonge Ethiopische agronoom de leiding gegeven, het personeel verdubbeld en de salarissen verhoogd. Afgelopen jaar hebben we zes containers groene bonen geproduceerd, terwijl we met twee begonnen.” Zonder winst, is Groeninks overtuiging, ook geen „social impact”.

De jonge aanplant van Groeninks eerste koffieplantage.
Foto Rijkman Groenink
Voordat Groenink in zijn tweede koffieplantage in Ethiopië kon openen, moesten de inwoners van het dorp vlakbij eerst nog akkoord gaan. Hij kreeg groen licht nadat hij uit had gelegd dat kleine koffieboeren in de buurt ook profiteren.
Foto Rijkman Groenink

‘Ik lijk op Robert Redford’

Koffie is geen goudmijn. Een succes maken van Moyee Coffee blijkt „buitengewoon moeizaam”. En de koffieplantages vragen flinke investeringen. „Die weg kost al tussen de 150.000 en 200.000 euro.” Maar over vijf jaar hoopt Groenink duizend hectare „in volle productie” te hebben. De eigen bonen plus die van de kleine boeren uit de buurt zouden bij elkaar vijftig containers kunnen vullen. „Misschien is het keep on dreaming, hoor.” Een snelle rekensom wil hij wel maken. „In één container gaat 20.000 kilo. Onze verkoopprijs voor groene bonen is nu 5 euro per kilo, dus… dat zou een omzet zijn van 5 miljoen.” Hij kijkt tevreden.

Het leuke aan ondernemen, vindt Groenink, is dat hij alles zelf doet. „Ik heb laatst hoogstpersoonlijk een tractor gekocht voor de nieuwe farm. Die heb ik in Nederland zelf in een container gezet. Nouja niet zelf, maar zelf daarheen gestuurd.” Hij had zich er grondig in verdiept. „Het moest een hele goede zijn, maar ze moeten hem daar wel kunnen maken als hij stuk gaat.” Het is een Massey Ferguson geworden, tweedehands, relatief simpel te repareren.

Zijn tijd bij de bank heeft Groenink al lang afgesloten, maar nog altijd associëren mensen hem met ABN Amro, ook door de toneel- en tv-versie van het boek De Prooi. „Ik ben niet zoveel veranderd in mijn gezicht. Ik merk dat mensen nog steeds regelmatig denken: hé, daar heb je Groenink.” Wat zegt hij als mensen hem aanspreken? „Soms zeg ik: nee, dat is mijn broer. Of: nee, ik lijk niet op Rijkman Groenink, ik lijk op Robert Redford.” Hij grinnikt. „Dat helpt natuurlijk niet.”

Correctie (12-8-2018): In een eerdere versie van dit artikel is per ongeluk de eerste alinea weggevallen. De alinea is later toegevoegd.

    • Teri van der Heijden