Opinie

    • Ellen Deckwitz

Rechten

Gisteren pakte ik de laatste metro naar huis en aanvankelijk had ik het hele voertuig voor me alleen tot er na twee haltes een wat oudere man instapte en recht tegenover me plaatsnam. Aanvankelijk was ik daar vooral geïrriteerd door: de hele coupé was leeg en hij moest zo nodig tegenover me gaan zitten.

Het zou nog een flink aantal haltes duren voor ik eruit moest, dus ik pakte mijn boek erbij (waar ik eigenlijk al te moe voor was) en probeerde me te verdiepen in Saksische oorlogsheren tot de man tegenover me uitgebreid gaapte, gevolgd door een „zo zo, wat een lekkere avond zeg”, waarbij hij naar mijn borsten staarde. Ik schoof mijn boek tussen mijn voorgevel en zijn blikveld, waarop de man hardop begon op te lezen wat er op het omslag stond. Mijn boze blik hielp niet. De man zei dat ik echt mooie hakken droeg en ik greep in mijn handtas om mijn huissleutels als een boksbeugel tussen mijn vingers te plaatsen. De man zei dat hij altijd iets met brunettes had gehad en toen had ik er genoeg van.

„Ik heb hoofdpijn”, zei ik, wat niet waar was en wat eruit was voor ik er erg in had.

„Oh maar dat is niet erg”, zei de man en ging door met beschrijven wat ik aan had: spannende jurk, mooie blauwe plek bij mijn enkel.

Ondertussen raasden mijn gedachten voort. Op een zeker moment zou er niets meer te beschrijven zijn en zou hij misschien dichterbij komen. Dankzij een grootmoeder die als een Terminator uit een jappenkamp kwam heb ik geleerd om bij de minste dreiging van een medemens meteen diens zwakke plekken te scannen. De man was erg lang en had dus waarschijnlijk zwakke knieën. Hij was zo te ruiken ook flink aangeschoten, waardoor hij trager maar nog onverwacht sterk zou kunnen zijn. Zijn dunne krullen zagen er nog stevig genoeg uit om te kunnen vastgrijpen en hem een knietje in het gezicht te kunnen geven.

En zo zaten we tegenover elkaar, een man die bleef opsommen wat hij tegenover zich zag zitten en een vrouw die inmiddels vijftien plannen klaar had liggen om hem bij de minste toenadering compleet te slopen. En al die tijd dacht ik: dit is 2018, ik heb er het recht op dat hij me niets doet. Dit is Nederland, ik zou overal veilig moeten zijn. Maar, dacht ik, ‘recht hebben’ vraagt ook om de aanwezigheid van derden, om dat recht te kunnen handhaven. En ik was alleen. Nergens hingen camera’s.

Ik heb rechten dacht ik nog toen de man opstond.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz