Eerste hulp bij verkrachtingszaken

Centrum Seksueel geweld In het Centrum Seksueel Geweld werkt medisch personeel met de politie samen. In Eindhoven melden zich opvallend veel slachtoffers.

In het Centrum Seksueel Geweld krijgen slachtoffers medische zorg. Ook worden er sporen veiliggesteld. Foto’s Ans Brys

Op de spoedeisende hulp van het Eindhovense Catharina Ziekenhuis staat een doos, achter slot en grendel: de onderzoeksset zedendelicten. Daarin wattenstokjes, tien bakjes voor nagels met een klein schaartje, envelopjes voor de haren, een liniaal om verwondingen te meten en een grote papieren zak voor de kleren van het slachtoffer.

Sinds april vorig jaar beschikt het Brabantse ziekenhuis over een Centrum Seksueel Geweld, waar slachtoffers van verkrachting of aanranding de eerste medische hulp krijgen. Hier ontfermen vier personen zich over het slachtoffer: een gespecialiseerde verpleegkundige, een forensisch arts, een forensisch rechercheur en een zedenrechercheur. Er worden ook sporen veiliggesteld die kunnen helpen bij een mogelijke aangifte. Alleen als het slachtoffer dat wil, wordt de politie ingeseind. Er komen allerlei soorten slachtoffers langs, al zijn jonge vrouwen oververtegenwoordigd. Het centrum is ook open voor slachtoffers van seksueel geweld dat langer geleden plaatsvond.

Een nagelschaartje, om bij slachtoffers de nagels te knippen en daarmee mogelijk sporen van de dader veilig te stellen.

Het Centrum Seksueel Geweld zit op zestien plaatsen verspreid door het land, zes jaar geleden werd in Utrecht de eerste opgericht. Maar in Eindhoven is iets opvallends aan de hand: in één jaar meldden zich 106 acute slachtoffers, het grootste aantal op de drie centra in de Randstad na. En dit jaar blijft het aantal meldingen stijgen: eind juli waren er 101 acute meldingen.

Dagelijks bellen

Waarom nu juist in Oost-Brabant zoveel meldingen zijn, is niet onderzocht. Lidewijde van Lier, die leiding geeft aan de zedenrechercheurs van de politie Oost-Brabant, legt de oorzaak niet bij een hoger aantal verkrachtingen, maar denkt dat coördinator Susanne van Gog er een grote rol in speelt: zij belt dagelijks met GGD-vestigingen, scholen, gynaecologen, huisartsen en politie. Zodat instellingen weten waar ze slachtoffers van seksueel geweld naartoe moeten sturen.

Het was wennen voor sommige agenten, zo van: dit is toch óns vak?

Lidewijde van Lier politie O.-Brabant

In het begin zorgde dat nog weleens voor irritatie. Van Lier: „Het was wennen voor sommige agenten, zo van: dit is toch óns vak? Maar toen zagen zedenrechercheurs dat er in het centrum onmiddellijk zorg is, zonder wachtlijsten.”

Sinds kort bellen agenten mij op, vertelt Van Gog. „Toen dat voor het eerst gebeurde, dacht ik: nu hebben we het voor elkaar.”

Tweede vestiging

Iva Bicanic, hoofd van het Landelijk Centrum Seksueel Geweld, verwacht dat Brabant-Oost dit jaar de meeste slachtoffers zal ontvangen. Ze noemt het centrum „een voorbeeld” voor andere centra. Door het hoge aantal slachtoffers wordt inmiddels een tweede vestiging in het ziekenhuis van Den Bosch overwogen. Oost-Brabant zou dan de eerste regio zijn met twee vestigingen.

Zakjes om sporen in te bewaren.

Voorheen werden slachtoffers van seksueel geweld niet goed genoeg behandeld, zegt politie-leidinggevende Van Lier. „Als een slachtoffer aangifte deed, stelden we sporen veilig. Maar de nazorg was niet goed. Terwijl het heel belangrijk is meteen medicatie aan te raden tegen hiv en slachtoffers begeleiding te geven.”

Ook in het ziekenhuis ontbrak het nodige, zegt coördinator Van Gog. „Als een slachtoffer zich bij ons meldde, moest diegene maar net geluk hebben een verpleegkundige te treffen die verstand had van het veiligstellen van bewijs.” Nu vertelt een slachtoffer niet vaker dan nodig zijn of haar verhaal en bevindt alle hulp – medisch, psychologisch en strafrechtelijk – zich op één plek.

De eerste zeven dagen na seksueel geweld zijn cruciaal, zeggen Van Gog en Van Lier. Hoe langer het duurt voordat sporen worden vastgesteld, hoe moeilijker een verkrachting te bewijzen is. En voor een slachtoffer is het belangrijk dat psychologische begeleiding en goede medicatie zo snel mogelijk worden aangeboden.

We weten dat heel veel slachtoffers zich niet melden uit schaamte

Susanne van Gog coördinator

Van Lier en Van Gog hopen dat nog meer slachtoffers zich zullen melden. „Dit is nog maar het topje van de ijsberg”, denkt Van Gog. „We weten dat heel veel slachtoffers zich niet melden uit schaamte. Ik heb niet de illusie dat die hele ijsberg hier ooit langs zal komen, maar we zien wel dat een laagdrempelige plek als dit centrum helpt.”

Tegen haar zin

Niet alle slachtoffers willen aangifte doen. Van Gog vertelt over een meisje dat tegen haar zin seks had. „Ze wist: als dat bekend wordt, kan ik zelf het slachtoffer worden van eerwraak.” Dat zijn lastige zaken, zegt ze. „Maar ik snap zo’n meisje wel.” Soms wordt later alsnog aangifte gedaan. „Ik ben ervan overtuigd dat we meer zaken kunnen oplossen doordat we snel na het misbruik starten met het opsporingsonderzoek”, zegt Van Lier.

Er blijkt ook wel eens helemaal geen sprake te zijn geweest van seksueel geweld. „Dan passen sporen bijvoorbeeld bij een val met een fiets. Dat zijn hele intense momenten: dan blijkt de grootste nachtmerrie voor ouders toch geen werkelijkheid.”

Susanne van Gog zoekt geregeld de uitspraken op van rechtszaken die het gevolg zijn van een bezoek aan het centrum. Als er een dader is veroordeeld, is ze trots op de teamprestatie. „Dan hebben we met zijn allen toch een goed onderzoek neergezet.”

Lees ook: ‘Aangifte doen van seksueel geweld geeft weer controle’
    • Bram Endedijk