Onderwijs

Een VWO’er moet ook bakker kunnen worden

Onderwijsblog Ondanks een hang naar gelijkheid blijft Nederland gesegregeerd naar opleidingsniveau en klasse. Iedere studiebol moet toegang tot hoger onderwijs hebben, maar een slimme vwo’er moet ook praktisch kunnen kiezen, vindt Geertje Hulzebos.

Foto Lex van Lieshout/ANP

Als stapelaar ken ik de lagen van het onderwijs en daarmee ook de lagen van de bevolking, want zo zit onze maatschappij helaas in elkaar. Ik sprak vaak met mensen die, net als ik, van ver kwamen en het soms moeilijk hadden om te acclimatiseren in een nieuwe omgeving. Het verschil in cultuur maakt doorstromen naar andere onderwijsniveaus lastiger. Tegelijkertijd vormde het ontdekken van die verschillen en overeenkomsten één van de grootste leerervaringen die ik in mijn stapeljaren heb opgedaan.

Op het mbo kwam ik veel studenten tegen die belemmerd werden in hun ontplooiing. Zij moesten werken om hun ouders te ondersteunen in de betaling van de huur of in het levensonderhoud van het gezin. Studeren is voor veel mbo-studenten een luxe die ze zich niet kunnen permitteren. Dat geldt niet voor alle mbo-studenten, maar het is mij wel opgevallen dat mensen op hogescholen en universiteiten over het algemeen minder problemen ervaren met de eerste levensbehoeften. Zij moeten vaker voldoen aan de verwachtingen van ouders en vrienden. In het hoger onderwijs moet harder gestudeerd worden en is er grotere druk op het halen van hoge cijfers, waardoor de sociale ontplooiing in het geding komt of studenten stress ervaren.

Gesegregeerd

De scheiding tussen klassen heeft mij altijd getroffen. Veel mbo-studenten hebben praktisch opgeleide ouders en komen uit de arbeidersklasse. Doorstromen naar het hbo en de universiteit is dan moeilijker. Onderzoek bevestigt de reproductie van ongelijkheid door het huidige onderwijssysteem. Doorstromen naar een hoger onderwijsniveau wordt door selectiebeleid en het afschaffen van de basisbeurs niet bepaald gestimuleerd. Daarnaast geldt, misschien juist door sociale segregatie, een andere cultuur in het hoger onderwijs dan in het mbo.

Lees ook: Het lerarentekort mag vooral niks kosten

Op mijn mbo-instelling heerste een straatcultuur, waarin verbaal en fysiek geweld aan de orde van de dag waren. Op de universiteit heb ik soms het idee dat er een wedstrijd is om de moeilijkste woorden in een grammaticaal correcte zin te gieten. Als jij de zin niet begrijpt, ligt dat aan jouw intellectuele inferioriteit. Het heeft dan ook lang geduurd voor ik me thuis voelde op de universiteit. Ik begreep de drankcultuur en de wolligheid of sociale wenselijkheid in communicatie niet. Ik heb van die verschillende culturen wel veel geleerd en ze hebben mij een rijker mens gemaakt. Dat werd mogelijk gemaakt door sociale mobiliteit.

Bubbels van gelijkgestemden

Nu stuitte ik op een interview met Kees Vuyk in het juli-nummer van Filosofie Magazine: ‘Mensen zijn niet gelijk, daar moeten we vanaf’, kopt het artikel. De gelijkekansenpolitiek - waarin iedereen met de capaciteiten naar de universiteit zou moeten kunnen - leidt tot verarming van de arbeidersklasse. In de verschillende lagen van het onderwijssysteem zijn volgens de Onderwijsinspectie ‘bubbels van gelijkgestemden’ . Door arbeiders te stimuleren naar de universiteit te gaan, raken zij van hun omgeving verwijderd, voorgoed. Dat terwijl intelligente arbeiders die in de eigen klasse blijven, diplomascheidingen overbruggen en zo de tweedeling dichten. Maar betekent dit dan dat zij niet zouden moeten gaan studeren om de kloof niet verder te vergroten?

Ook middenklassejongeren kunnen de kloof overbruggen door loodgieter of bakker te worden. Dat is een grote stap, omdat je je klasse verlaat. Op deze jongeren wordt druk uitgeoefend om naar de universiteit te gaan. Ook zij kunnen zich soms niet ontwikkelen zoals ze willen. De status die de universiteit geeft en het pad dat vaak al is uitgestippeld, maakt dat een mbo-opleiding in de regel niet wordt overwogen. Een praktische opleiding wordt deze jongeren ontnomen, of in ieder geval een stuk moeilijker gemaakt.

Lees ook: Het Vlaamse voorbeeld: kleinere besturen, kleinere klassen

De wieg zou niet de plek in de maatschappij mogen bepalen. Mensen moeten hun onderwijsloopbaan kunnen eindigen waar zij dat willen. Niet iedereen kan naar de universiteit, hoe groot de motivatie ook is. Maar of je iets kan of niet, weet je vaak pas als je het geprobeerd hebt.

IQ staat niet vast

Het is een misvatting dat IQ een vaststaand gegeven is. Juist door jezelf uit te dagen, ontwikkel je jezelf. Dat geldt voor vwo’ers die naar het mbo willen en voor mbo’ers die naar de universiteit willen. Uit ervaring weet ik dat praktisch werk zoals het stuken van een muur een ander soort intelligentie vraagt dan het kritisch beschouwen van Hegels dialectiek. Het eerste is niet inferieur of superieur aan het tweede. Met mijn intelligentie krijg ik geen auto gerepareerd en ik heb bewondering voor wie dat inzicht wel heeft.

Ondanks een hang naar gelijkheid blijft Nederland gesegregeerd naar opleidingsniveau en klasse. Is een emancipatoir onderwijsstelsel verenigbaar met trouw aan de eigen klasse? Zeker. De diplomascheiding kan doorbroken worden door sociale mobiliteit als tweerichtingsverkeer. Jongeren uit de middenklasse of hoger kunnen worden gestimuleerd om eens bij het mbo te kijken en jongeren uit arbeidersgezinnen kunnen meer tot studeren worden aangezet.

Het onderwijs en daarmee de klassenmaatschappij moeten worden opengebroken door beleid dat sociale mobiliteit bevordert. Dan is emancipatie mogelijk. Zo kan iedereen het onderwijs volgen wat bij hem/haar past, los van de klasse. De vwo’er moet ongestoord kunnen kiezen tussen een bakkersopleiding of theoretische natuurkunde. Datzelfde geldt voor de vmbo’er. Geld, het opleidingsniveau van je ouders of hoge verwachtingen mogen geen doorslaggevende rol spelen. Een maatschappij waarin alle soorten mensen elkaar tegenkomen is mijn wens, net zoals die van Vuyk.

Geertje Hulzebos is voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond.