Recensie

Dit is geen liefde, maar een machtsspel

Daan Heerma van Voss

In zijn ideeënroman probeert hij de liefde filosofisch te benaderen. Toch leidt dat niet tot diepere inzichten.

Nee, noem dit alsjeblieft géén liefde! Je wilt het wel schreeuwen tegen de hoofdpersoon van Noem het liefde, de zevende roman van Daan Heerma van Voss (1986). Doe jezelf een lol, Tomas Wolf, en zie datgene wat jij voor liefde houdt voor wat het is: een relatie die niet uitgaat van gelijkwaardigheid, maar van een machtsverhouding.

Meteen bij de eerste alinea van de roman al frons je je wenkbrauwen van de ideeën over de liefde die gesjeesd scenarioschrijver Tomas Wolf erop nahoudt: ‘Het meisje A. Zo heette ze, zolang ze van mij was. Al op die eerste avond nam ik mezelf voor haar echte naam nooit uit te spreken. Zo zou ik haar nooit hoeven delen.’ Het gaat hier dus over een geliefde als een bezit van een man, die haar consequent kleinerend ‘meisje A.’ noemt en reduceert tot object door haar naam af te korten. Dat doet een bevriende filosoof denken aan Lacan en diens ‘objet a: het onbereikbare object van verlangen’.

Zo toont Noem het liefde meteen de ambitie om de liefde filosofisch te benaderen. Anders gezegd: dit gaat over de liefde, meer dan over een liefde. De geschiedenis van de verhouding van de 34-jarige Tomas Wolf met zijn 18-jarige ‘meisje A.’ houdt steeds die beschouwelijke laag: een liefdesroman over ideeën dus, of een ideeënroman over liefde. Bevreemdend genoeg leidt dat niet tot inzichten.

Leeftijdsverschil

Lees ook het zomeravondgesprek dat NRC had met Daan Heerma van Voss: ‘Je bent een redelijk moeilijk geval, Daan’

De verschillen tussen de twee blijken in het verhaal bepalend – allereerst is er hun leeftijdsverschil, hoezeer Tomas ook volhoudt dat hij niet aan een midlifecrisis lijdt, of aan ‘een Nabokov-complex’. De jonge vrouw houdt er in zijn ogen onbegrijpelijke millennial-ideeën op na, wat al tot uiting komt in haar eclectische jongerentaaltje. En de enige ambitie die ze uitspreekt is meteen een ultieme: ‘Ik zou graag de stem van mijn generatie willen zijn’, zegt ze. ‘Zoals Lena Dunham. Mijn ouders zeggen dat ik alles kan bereiken wat ik wil.’ Waarna Tomas, ik-verteller, parafraseert (en zich dus ook meteen haar gedachten toe-eigent en becommentarieert): ‘Het liefst zou ze een wonderkind zijn en blijven, inspanning beschouwde ze gezien haar talent als een aanfluiting.’ Hij mansplaint haar dat ‘de stem zijn van een generatie geen baan’ is: ‘Dat is meer, ja, een rol. Een rol die anderen je toedichten.’ Zij: ‘Whatever.’

Nog een voorbeeld van de hiërarchie in de relatie: bij hun ontmoeting trekt Tomas haar voor een voorbijdenderende taxi vandaan, waarin we meteen de kiem van een klassieke reddersfantasie herkennen. Het allermeest is Tomas overigens overrompeld door het feit dát hij de liefde aangaat: hij had die juist afgezworen, door een trauma dat iets met zijn verongelukte ouders te maken heeft. Snel hebben ze samen ‘een eigen universum’ geschapen en doet hij niets anders meer dan zijn erfenis voor haar opmaken.

Dubbelagent

De oudere filosoof met wie hij dat aan het begin van de roman bespreekt, is sceptisch. Als Tomas zich zo wil verliezen, moet hij wel beloven ‘dat wat je voelt lust en verliefdheid ontstijgt’. Even later krijgt Tomas daarom de opdracht de liefde te documenteren, zo precies en compleet mogelijk.

Aanvankelijk is hij vooral op zijn pik getrapt omdat ze schreef dat hun seks ‘beter dan verwacht’ is.

Hij wordt ‘dubbelagent in de liefde’. Dat vereist een afstandelijkheid die de relatie kan belemmeren en maakt ‘het meisje A.’ nóg eens tot object, tot materiaal – het heimelijke project zet de relatie dan ook onder spanning, én geeft de lezer moed. Want dan zal Tomas Wolf toch wel reflecterend tot zelfinzicht komen, verwacht je, hoop je. Dan zullen alle patriarchale cliché-hiërarchieën in de roman toch welbewust aangebracht blijken en leiden tot een loutering, in plaats van een voorspelbare implosie van de relatie, wanneer die op ongelijke voet zou verdergaan. Dan zal haar feministische uitbarsting alsnog tot iets anders leiden dan tot zijn schamele opgetogenheid over haar welbespraaktheid (ze oreerde: ‘Vrouwen kunnen zichzelf wel laten zien, ze kunnen sexy of geil zijn, of goed zijn in hun werk, maar de regels die ze gehoorzamen of juist overtreden, zijn mannelijke regels.’). Dan zal wel tot hem doordringen dat ze in haar dagboek haarfijn zijn seksisme aanstipte: ‘Hij heeft vaste ideeën over hoe ik me zou moeten gedragen; als een viespeukje, een wild meisje.’

Aanvankelijk is hij, als hij dat dagboek leest, vooral op zijn pik getrapt omdat ze schreef dat hun seks ‘beter dan verwacht’ is.

Voorspelbaar

Waarom ik zoveel aandacht besteed aan die hiërarchie en dat seksisme, en niet méér vertel over vele andere aspecten van de roman? Er valt inderdaad ook wat te zeggen over het verloop van de verhouding (neerwaarts, voorspelbaar), de verhaallijn waarin Tomas afscheid neemt van zijn aftakelende grootmoeder (wat plichtmatig), de stijl (vaak opmerkelijk stijf), de lessen van scenario-goeroe Robert McKee die Tomas eerst huldigt en dan verwerpt in zijn zoektocht naar een vorm voor zijn verhaal, of de clou over zijn verongelukte ouders en zijn trauma. (Die clou blijkt teleurstellend dun en wordt heel laat in de roman uitgespeeld, zo laat dat het een anticlimax wordt.)

Lees ook de recensie van De laatste oorlog (2016): Wat haalt die filosemiet nú weer in zijn hoofd?

Maar uiteindelijk is dat allemaal van ondergeschikt belang aan de zelfreflectie die de hoofdpersoon toch echt blijkt te ontberen. Die slaat een grote, onbegrijpelijke lacune in Heerma van Voss’ roman, en het maakt van Tomas Wolf een vlak en bewegingloos verteller. Zó weinig doorziet hij, zóveel aanknopingspunten van feministisch bewustzijn mist hij. (De schrijver lijkt die nochtans bewust aangebracht te hebben – in de valkuil van identiteitsliteratuurkritiek trappen we even niet). Wél zich afvragen waarom de liefde hem ontglipt, maar níét de diagnose stellen die er al vanaf de eerste alinea duimendik bovenop ligt? Zo is Noem het liefde een ideeënroman waarin voortdurend náást het belangrijkste inzicht gekeken wordt, en daarmee niet uit de verf komt.

Tomas Wolf gooit het zelf op de tijdgeest, op ‘de extreem hoge eisen die meisjes en vrouwen aan zichzelf stelden, het gevoel altijd en overal beoordeeld te worden’. En slaagt er niet in te zien hoe mannen dat ‘gevoel’ mede vormgeven – als beoordelaars. Als Noem het liefde al een tijdgeest vangt, dan is het die van decennia waarin liefdesromans met geobjectiveerde vrouwen zonder fronsen werden gewaardeerd. Niet van een tijd waarin mannen die hun rol niet doorzien – zonder spoortje van ironie – toch wat saai en clichématig worden, en waarin meisjes A. uit de anonimiteit treden. Noem het liefde, noem het seksisme.

    • Thomas de Veen