Foto Frank Ruiter

Dichter Radna Fabias: ‘Ik ben ongeschikt als rolmodel’

Lunchinterview Radna Fabias (34) debuteerde dit jaar met de poëziebundel ‘Habitus’. Ze kreeg er de C. Buddingh’-prijs voor. „Er zijn mensen die zichzelf als merk zien, dat vind ik ongemakkelijk. Maar ik wil ook gelezen worden.”

Meestal gebeurt er niet veel als iemand haar of zijn poëziedebuut maakt. Maar in het geval van Radna Fabias (34) was dat anders: ze debuteerde met haar bundel Habitus en zegde haar baan bij een educatieve uitgeverij op. Ze leeft nu van optredens en schrijfopdrachten, ze heeft als talentvolle debutant een beurs gekregen van het Letterenfonds.

De ontvangst van haar zeer dikke bundel (115 pagina’s), was verbluffend: „zintuigelijke taal waarin een straffe passaatwind waait”, „overdonderend”, „overrompelend”, „dendert de poëzie binnen” schreven de recensenten. Ze kreeg eind mei de C. Buddingh’-prijs voor het beste debuut, de bundel is inmiddels aan een vierde druk toe. Haar leven is totaal veranderd: men wil haar horen, zien, spreken. Op een snikheet terras in Amsterdam-Noord noemt ze al die aandacht: „Een idiote situatie, de belangstelling is echt niet normaal.”

Haar poëzie is dan ook echt anders dan andere. In soms heel lange regels, soms heel korte, roept ze het beeld op van Curaçao, het eiland waar ze vandaan komt maar al lang niet meer woont, laat ze grootmoederlijke adviezen klinken over het vrouwzijn, denkt ze na over haar eigen positie als (zwarte) vrouw, als immigrant, als buitenstaander, schrijft portretten van drugsdealers, vluchtelingen, liefdes. Haar gedichten zijn verhalend zonder al te veel te vertellen. Ze maken nieuwsgierig, ook naar de dichteres zelf. Wie is deze vrouw die zo scherp de eilandenwereld ziet, zo scherp Nederland ziet ook („oude mannen met importbruiden/ de sociale zekerheid/ de hitlergrappen/ de betutteling/ de geluidsoverlast/ de alomtegenwoordigheid van arnon grunberg”).

Fabias woont al sinds haar 17de in Nederland, toen ze hierheen kwam om te gaan studeren, de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze was de eerste vrouw in haar familie die ging studeren. „En in plaats van dat ik dan medicijnen ga doen, of rechten, of economie, ga ik naar de kúnstacademie”. Teleurstellend in een bepaald opzicht, al geloofde haar moeder diep in doen waar je goed in bent. „En dan héél hard werken.”

Ik reageer heel slecht op stelligheid

Radna Fabias

Dat heeft ze gedaan, en met succes. De bundel schreef ze door vroeg op te staan en voor ze naar haar werk ging te schrijven, en dan wéér als ze thuiskwam, en ook op vrije dagen en in de weekenden. Voor een sociaal leven niet ideaal, en op den duur ook niet vol te houden, zegt ze. Dat is nu dus veranderd. Ze gelooft alleen niet per se in de zin van de aanwezigheid van de auteur. Een oudere dichter schreef bij wijze van advies voor haar op: „Wees afwezig”. Die wens heeft ze zelf ook wel. Tegelijkertijd vindt ze zoiets niet helemaal reëel. „Dit is een tijd van zichtbaarheid en jezelf doorlopend tonen. Aanwezig zijn op sociale media.”

Is ze dat?

„Nee. En ik wil dat graag zo houden. Ik ken mensen die zichzelf als merk zien, dat vind ik ongemakkelijk. Maar ik wil ook gelezen worden. Ik zou het nogal gek vinden om als debutant iets de wereld in te sturen en dan te zeggen: ik kom niet.”

Lezers ontmoeten is trouwens ook leuk, het is fijn om reacties te krijgen en om te horen hoe haar bundel wordt gelezen, zegt ze. En de mensen lezen er van alles in, ze herkennen dingen, ze vertellen haar zeer persoonlijke verhalen.

Onnodige vragen

Dat is ook wel eens lastig. Laatst kwam iemand op haar af en zei: „Mijn vader is ook best wel als een sneue zak gestorven.”

Ongemakkelijk: „Mijn vader leeft nog!”

Er was iemand die zich in een column afvroeg of Fabias’ eierstokken daadwerkelijk afgeklemd waren, vanwege deze regels: „omdat ik van mijn moeder houd bezweer ik de herhaling vanuit mijn afgeklemde eierstokken”.

„Ik ga daar niet op in,” zegt Fabias. De schrijver moet niet met haar eigen leven vóór de interpretatie van de gedichten gaan staan vindt ze. „Maar ik vind sommige van die vragen heel onnodig en ook impudent.

„Ik ben afgestudeerd als dramaschrijver aan de kunstacademie. Bij toneel is het ook niet zo dat je alle personages zelf bent. En ook bij poëzie vind ik het interessanter om uit te gaan van een scheiding tussen de schrijver en het lyrisch ik. Ik zie geen meerwaarde in het delen van persoonlijke informatie.”

Heeft ze niet de neiging om de mensen te corrigeren?

„Nee. Ik heb de neiging om me terug te trekken. Ik vind het interessant om te kijken hoe de mensen het interpreteren.”

Lees ook het zomeravondgesprek tussen muzikant Spinvis en schrijver Marieke Lucas Rijneveld: ‘Maar er zijn toch ook dingen wél waar, en wél mooi?’

Vervelender wordt het als ze buiten de poëzie om wordt gebruikt door anderen om hun politieke opvattingen kracht bij te zetten. Toen ze de Buddingh’-prijs had gekregen, ontving ze een mailtje van iemand die zei dat het was vanwege haar kleur. „Maar aan de andere kant was er ook weer iemand die die prijs probeerde in te zetten om het beeld van gedoemd migrantenkind tegen te spreken, die schreef op Twitter: ‘niet slecht voor een #migrantenkind’. Dat vind ik ongemakkelijk.” Haar gezichtsuitdrukking laat er geen twijfel over bestaan dat ze dat meent. Waarom trekt ze zich dat zo aan?

Fabias: „Ik word dan de representant van een groep terwijl ik juist in mijn gedichten heb geprobeerd om voor mezelf te spreken. Met alle twijfel, tegenstellingen en dubbelheid die bij mijn specifieke blik horen. Daarvoor is poëzie een fijne plek. Dingen die ik zelf liever aan de rand van mijn bestaan zou willen zien, worden door zulke uitingen belangrijk gemaakt. Voor andermans agenda. Daar zit de ergernis ergens.”

De kleinste caesarsalades ter wereld worden gebracht. Fabias bekijkt ze vertederd en gaat door: „Ik was laatst in Rotterdam en toen werd mij gevraagd, vlak voordat ik moest voordragen: ‘Wat deed het met je om de eerste zwarte winnaar van de C. Buddingh’-prijs te zijn? Kort!’ ”

Je wordt tot een rolmodel gebombarbeerd, zeg ik.

„Ik ben ongeschikt daarvoor. Echt.”

Ze heeft er een hekel aan om vastgelegd te worden. Sowieso houdt ze alles het liefst vloeibaar, daarom was poëzie voor haar ook een goede vorm.

Dansende doem

Of ze katholiek is, vraag ik. Ja, zo is ze wel opgevoed, maar niet streng. Er zat wel enige ruimte in. „Ik spreek wel eens met Brabanders, die begrijpen waar ik het over heb. Het was gewoon wel fijn, ik ga nog steeds wel eens naar een katholieke kerk als ik in het buitenland ben.” Maar op een gegeven moment begonnen velen op het eiland, ook haar moeder, zich te bekeren tot de pinkstergemeente. Dat was heel anders. „Daar zat een soort doem achter alles, maar het was dansende doem. Als je binnenkwam dacht je ‘oh wat gezellig!’ De pinkstergemeente, zoals ik die heb ervaren, heeft enerzijds een focus op welvaart en geld en anderzijds gaat het om een zuivering van je mens-zijn, een zoeken naar echt heilig worden. Wat ik vreemd vond. Er was een pastoor die zei God te hebben gesproken en die was ervan overtuigd dat Hij hem een auto van goud zou geven. Ik zou dat niet helemaal geestelijk gezond willen noemen.” Ze raakt er flink over aan de praat, over de sluipende onderdrukking, het isolement waarin mensen kwamen te verkeren en het enorme verlangen waar het allemaal uit voortkwam.

Ze schreef: „de dame voor me draagt een hoed met een veertje/ (onder haar hoed draagt ze een pruik)/ de Heilige Geest heeft haar zojuist aan het vallen gebracht/ (de hoed is van haar hoofd gegleden)/ ik houd mijn ogen op de pruik/ (ligt nu voor het podium, spreekt in tongen)”

„Ja dat zijn documentaire beelden,” zegt ze. Haar werd verteld: „twijfel is van de duivel en geloven is van God”. „Ik vroeg: maar wat is dan gezond verstand? Daar moest ik maar eens flink voor gaan bidden.” Ze koos voor het gezonde verstand.

foto Frank Ruiter

„Ik zou mezelf hooguit agnost kunnen noemen, omdat ik het ook niet weet. En ik reageer heel slecht op stelligheid. Soms heb ik eenzelfde gevoel bij atheïsten als bij die heftig evangeliserende christenen. Je wilt dat er nog beweging in de dingen zit, anders zit je alleen maar naar je gelijk te kijken. Lijkt me vrij saai.”

Melancholiek en gelukkig

In het beschouwende proza dat ze nu aan het schrijven is moet ze natuurlijk wel eens een standpunt innemen. Maar niet per se voor lang.

„Dat hele idee van dialectiek, het systeem van these, antithese, synthese, dat vind ik schitterend! Maar je kunt nooit stoppen.”

Want dan heb je quasi een antwoord…

Waarom zouden we poëzie lezen? Ingmar Heytze legt het je uit.

„… en dat alles oplossende antwoord is er nooit! Dat is juist zo mooi. Foto’s vind ik verschrikkelijk, dat roerloze. Ik heb denk ik een obsessie met beweging. Ik vind mensen ook op hun mooist als ze bewegen.”

Is ze een melancholicus?

Ze denkt even na. „Ik lach wel veel voor een melancholicus… maar je kunt tegelijkertijd heel gelukkig en heel melancholiek zijn. Die gelaagdheid, dat is ook waar poëzie zo goed voor is. Het is soms nogal worstelen met hoe het is om in de wereld te zijn. Maar dat klinkt zo – nu ja dat zijn nu de beste woorden die ik ervoor heb.

„Ik had een burn out en toen zei de bedrijfsarts tegen mij: ‘Maar Radna het leven hééft geen zin.’ Ik zei: ‘Dat idee had ik allang!’ Ik zou nooit zeggen dat het leven geen betékenis heeft, het zit vol met betekenis, maar ik kan verlamd raken van de willekeur en de lelijkheid en het leed. Het is gewoon naar dat dat bestaat, en zo hardnekkig is en zo uitzichtloos soms – het constante besef van mijn nietigheid.”

    • Marjoleine de Vos