Opinie

    • Michel Krielaars

De magie van koloniaal Afrika

Soms verlang ik net als J.J. Slauerhoff naar een ver buitenland om nooit meer naar Nederland terug te hoeven keren. Maar aangezien ik het liefst in het verleden ronddool en thuis in mijn bibliotheek zit, kies ik dezer dagen voor het koloniale Afrika van weleer. Ik raakte er verzeild toen ik de memoires van de Britse schrijfster Beryl Markham uit 1942 las, die onder de titel Westwaarts met de nacht onlangs in de Privé-domeinreeks verschenen.

Toen ze vier jaar oud was, verhuisde Markham met haar vader vanuit Engeland naar Brits-Oost-Afrika. Die vader bouwde daar met blote handen een plantage, iets wat toen in de mode was in hogere Britse kringen. Op de Afrikaanse steppe kon je menig alumnus van Oxford of Cambridge tegenkomen, die een olifant wist om te leggen.

Markham (19 02-1986) is een soort Karen Blixen, de Deense schrijfster die onder het pseudoniem Isak Denisen in 1937 haar memoires Out of Africa publiceerde. En al is Blixen intiemer in haar herinneringen, Markham kan veel spannender vertellen. Zo neemt ze je mee op de jacht of op solitaire vliegtochten over uitgestrekte oerwouden en woeste rivieren, speurend naar een verdwenen collega-piloot of een ziek geworden gouddelver. Ineens vroeg ik me af waarom jonge schrijvers, voor wie een reis rond de wereld tegenwoordig hetzelfde is als een retourtje Zandvoort, zich ter inspiratie niet eens langere tijd in een exotisch land vestigen.

De memoires van Markham overspannen zo’n dertig jaar en eindigen in 1936 als ze over het door Mussolini bezette Libië naar Engeland terugvliegt. In die periode laat ze je het ruige, maar ook rijke koloniale leven zien, waarbij opvalt hoezeer de planters in harmonie met de Afrikaanse bevolking leefden. Met de wilde dieren hadden ze zelfs een bijna menselijke verhouding. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer de jonge Markham samen met een paar leden van de murani-stam tijdens een jachtpartij op de steppe op een leeuw stuit. Oog in oog met dat dier, zegt murani-leider Arab Maina: ‘We moeten hem laten zien dat we net zomin bang zijn als hij, maar dat zijn wensen niet de onze zijn. We moeten zonder aarzeling en moedig langs hem heen lopen, en we moeten zijn kwaadheid belachelijk maken door hard te lachen en hard te praten.’

Jaren later spot Markham, die inmiddels als piloot de kost verdient, in opdracht van jagers, vanuit haar vliegtuigje een immense kudde olifanten, ‘een tapijt van roestbruin, grijs en donkerrood.’ Die tienduizend ongetemde dieren vertegenwoordigen voor haar de almacht van de natuur. ‘Dan zie je met eigen ogen wat men je altijd al verteld had – dat de wereld eens leefde zonder machines of kranten, zonder gemetselde muren of de tirannie van de klok.’ Hier spreekt de magie van Afrika, waar de natuur de baas is over de mens.

In het voorwoord van dit meeslepende boek hekelt oorlogscorrespondent Martha Gellhorn het op Markham toegepaste begrip ‘geëmancipeerde vrouw’. Het zou slavernij impliceren, waaruit de vrouw zich moet bevrijden: ‘Volgens mij heeft het hele menselijke ras het moeilijk en zouden de seksen, en zullen ze dat ook, partners moeten zijn in hun bevrijding van de vooroordelen en onwetendheid die ons allemaal kwetsen.’

Het klinkt alsof het over het hier en nu gaat en er in een halve eeuw helemaal niets is veranderd.

    • Michel Krielaars