Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Mijn sinaasappel was veel groter, zuster!

Toen bejaarden nog bejaarden heetten en het als een gunstige ontwikkeling werd gezien dat ze zo rond hun zeventigste naar een bejaardentehuis gingen – dan kwam er weer een woning vrij voor een gezin – toen werkte ik zomers als vakantiehulp in het Korthagenhuis in Amsterdam-Noord: een kolos van negen verdiepingen pal naast het opgespoten dijklichaam voor de Ringweg A10. ’s Morgens meldde ik me in mijn donkerblauwe verpleegstersuniform met gesteven wit schort – maar zonder kapje, dat was net afgeschaft – en dan was ik de hele dag zuster. „Zuster Koelewijn!” De hoofdzuster met haar knerpende stem, terwijl ze me met mijn neus op het net door mij gedweilde aanrecht drukte. „Noemt u dit schóón?” Panty’s waren nog wel verplicht, ook tijdens de hittegolf van 1976. De dag dat ik het erop gewaagd had om met blote benen te verschijnen, werd ik naar huis gestuurd om me „behoorlijk aan te kleden”. Wat deed ik verder, behalve soppen? Sinaasappels persen. Alle bewoners hadden hun eigen sinaasappels, die ze zelf bij het winkeltje beneden konden kopen, of op het pas geopende Buikslotermeerplein. Die haalde ik vóór de koffie bij hen op en dan ging ik in de keuken aan de slag. De bewoners hadden ook allemaal hun eigen glas en ik moest „te allen tijde zien te voorkomen” – de hoofdzuster – dat ik de boel door elkaar haalde, wat nog een hele administratie was.

Na het persen dekte ik elk glas zorgvuldig af met een schoteltje, want in die tijd geloofden we nog dat de vitaminen er anders meteen uit vlogen. Dan ging ik de kamers weer langs. Ik moest erop toezien dat de glazen meteen werden leeggedronken.

Of ik het nou wel of niet goed had gedaan, gedoe was er altijd. „Zuster, zuster, dit sap kan niet van mij zijn, mijn sinaasappel was veel groter.” Maar wat was het een heerlijk gespreksonderwerp voor bij de koffie. En ’s middags na het warme eten ook weer, want dan mocht ik met bewoners gaan wandelen, aan elke arm één. Ze liepen het liefst naar het nieuwe winkelcentrum. Mevrouw A: „Zuster, zou je morgen voor mij een citroentje mee willen persen? Zo lekker met dit warme weer.” Mevrouw B: „En laten we ook een paar bananen halen. Ik heb trek in een banaan.” Mevrouw A: „O, ja, lekker, een banaan.” Mevrouw B: „Gaan we daarna naar de banketbakker voor een kopje thee. Dat kan toch nog wel hè, zuster.”

Meisjes zoals ik – jongens werden voor dit werk niet aangenomen – verdienden zestig gulden in de week, dus het maakte allemaal niets uit. Ik mocht ook krulspelden indraaien en de Libelle voorlezen en ik hoefde nooit op mijn horloge te kijken. Wat ik ermee zeggen wil? Dat er sinds de jaren zeventig veel verbeterd is. Maar dat er ook wel wat verloren is gegaan.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft deze weken de wisselcolumn met Floor Rusman.
    • Jannetje Koelewijn